Op 28 juni haalde VVD kamerlid René Leegte de voorpagina van de Telegraaf met de ongelukkige kop:

Velen reageerden verschrikt: ging na Daf, Fokker en de KLM nu ook de bijl in onze nationale oerhollandse weermannen? En dan om zo’n belachelijke reden?

Maar ondanks de golf van verontwaardiging die hij over zich heen gestort kreeg, zijn er goede argumenten om Leegte te steunen in zijn pleidooi om het KNMI aan te pakken. Ook Marcel Crok schreef er al een artikel over. De huidige constructie van het instituut levert conflicterende belangen op waardoor vooral het klimaatwetenschappelijke deel ervan niet goed kan functioneren. In dit artikel zal ik deze stelling onderbouwen.

Van weer- naar klimaatinstituut

Het KNMI is de laatste 20 jaar opgetuigd van een nationaal weerinstituut tot een ambitieus klimaatonderzoeksinstituut. Niet zozeer in personele bezetting, want zoals de illustratie laat zien bepaalt het weer nog steeds méér dan de helft van de omzet.

Verdeling kosten KNMI (jaarverslag 2009)

Maar al begin negentiger jaren begon de ontwikkeling waarbij het KNMI kansen zag om een hogere wetenschappelijke status en een belangrijkere publieke en politieke rol te realiseren door de nadruk te verleggen naar de klimaatwetenschap. Het begin van deze ontwikkeling is direct geconstateerd en vlijmscherp aan de orde gesteld door toenmalig wetenschappelijk KNMI directeur Henk Tennekes.

Het veel geciteerde citaat uit zijn column in het blad Weather in 1990 spreekt boekdelen:

Ik maak me bijvoorbeeld zorgen over de arrogantie van onderzoekers die beweren dat zij het klimaatprobleem kunnen oplossen, mits ze enorm veel onderzoeksgeld krijgen.

Tennekes ruimde het veld en vervolgens steeg het aantal KNMI wetenschappers van toen 85  naar 200 op dit moment.

KNMI als IPCC loket

Als onderdeel van deze ontwikkeling werd het KNMI het officiële Focal Point van het IPCC in Nederland. Dit is het nationale loket, dat de Nederlandse auteurs en reviewers voor de IPCC rapporten aanlevert, en ook de PR van het IPCC in Nederland voor zijn rekening neemt.

Dr. Hein Haak, wetenschappelijk directeur van het KNMI, is daarnaast ook voorzitter van de Nederlandse interdepartementale IPCC coördinatiegroep, die verantwoordelijk is voor de coördinatie van de Nederlandse participatie en inbreng in het IPCC proces. Verder leidt het KNMI de Nederlandse delegatie naar het tenminste jaarlijks bijeenkomende algemeen bestuur van het IPCC. De delegatie wordt afhankelijk van de onderwerpen samengesteld uit ambtelijke vertegenwoordigers, ondersteund door deskundigen van KNMI en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), of andere GTI’s als nodig, bijvoorbeeld ECN.

Het is duidelijk dat het KNMI niet meer als onafhankelijk van het IPCC beschouwd kan worden, en de contacten ermee zelfs tot de hoofdtaken van de wetenschappelijk directeur behoren.

Van weerman naar klimaatman

Uiteraard is de status van klimaatwetenschapper aantrekkelijker dan die van weerman. Maar de KNMI rol als IPCC loket vroeg naast wetenschappelijk onderzoek ook, zo niet met name,  om een uitgebreide PR: er moesten naast weermannen ook klimaatmannen komen, die de klimaatboodschap op overtuigende en wetenschappelijke wijze in de media aan de man zouden brengen. De vele TV optredens, gesprekken met politici en met wetenschappers die kritisch stonden tov de claims van het IPCC, en het werk aan de IPCC rapporten, beheersten sindsdien voor een groot deel de agenda van deze klimaatwetenschappers, maar ook van de KNMI leiding.

Als gevolg van de verweving met het IPCC en haar taak als Nederlandse vertegenwoordiger ervan, moest het KNMI natuurlijk ook met een eenduidige boodschap naar buiten treden. Daarom werd het bedienen van de media puur een taak van de hiertoe aangestelde klimaatmannen, die vaak tevens nauw betrokken waren bij het IPCC. Dit had het effect dat andere KNMI wetenschappers niet openlijk met kritiek op de IPCC standpunten naar buiten konden treden.

Steeds meer vereenzelvigden de KNMI bestuurders zich ook met de IPCC standpunten en het klimaatbeleid van de politici waar ze inmiddels zoveel contact mee hadden. Dat het blij aanvaarden van een alarmistische klimaatonderscheiding (foto bovenaan het artikel) strijdig zou kunnen zijn met een objectieve voorlichtersrol komt dan ook niet meer bij hen op. Dit tot onvrede van een deel van de KNMI wetenschappers. Want er is niets wetenschappelijks aan het verkondigen van één politiek geïnstigeerde opinie als de enige wetenschappelijke waarheid. Aan de aanwezige verscheidenheid aan opinies over klimaatverandering binnen het KNMI is jarenlang geen recht gedaan en deze is daardoor geheel aan het oog van het publiek onttrokken.

De Nederlandse politiek en het klimaatalarmisme.

Veel Nederlandse kabinetten hebben zich om uiteenlopende redenen ingespannen om de bevolking tot energiezuiniger gedrag aan te zetten en rijp te maken voor de veel duurdere duurzame energie. Helaas wilde dat altijd maar zeer beperkt lukken, en dan ook nog eens zeer tijdelijk. De ambtenaren die dit voor elkaar moesten krijgen zaten met de handen in het haar.

Maar bij de opkomst van de broeikasproblematiek diende zich eindelijk een middel aan dat wél zou kunnen werken: angst. Dat werd gezien door de beleidsmakers, en zo ontwikkelde het klimaatbeleid zich niet alleen op basis van de eigen merites, maar ook vanwege de politieke opportuniteit. Ik heb in gesprekken met beleidsadviseurs van de regering meerdere malen off the record te horen gekregen: “Ach, die gevolgen van CO2, daar valt veel op af te dingen, dat weet ik best, maar die interesseren me ook niet. Dramatische klimaatverandering is gewoon het enige wat werkt om de mensen aan de duurzame energie te krijgen.”

Desgevraagd bevestigde secretaris-generaal Bernard ter Haar van VROM in 2009 ook aan me dat er binnen VROM helemaal geen onderzoek naar klimaatverandering werd gedaan, en er ook amper kennis over aanwezig was. Het klimaatbeleid werd toegeleverd door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), dat samen met het KNMI de Nederlandse IPCC vertegenwoordiging vormt. Een check op de claims van het IPCC werd blijkbaar politiek niet nodig geacht: ze waren gewoon zeer welkom als onderbouwing van het energiebeleid. De woede van minister Cramer bij het in het moeras wegzakken van het IPCC na climategate en opvolgende schandalen, waardoor deze steunpilaar onder haar beleid dreigde weg te vallen, was typerend en veelzeggend.

Minister Cramer wilde blind kunnen varen op het IPCC

De nauwe samenwerking van de klimaatafdeling van het KNMI met de politici, VROM en het Planbureau voor de Leefomgeving, en haar rol als leverancier van de wetenschappelijke onderbouwing van het door de regeringen zo gewenste klimaatbeleid,  bepaalde jarenlang het krachtveld waarin het KNMI opereerde. Het is duidelijk dat daarin maar één waarheid paste: die van het IPCC.

Wiens brood men eet….

We zagen al dat het KNMI in 2009 30% van zijn omzet haalde uit klimaatonderzoek. Ik heb geprobeerd te ontrafelen hoe het KNMI klimaatbudget zich in de laatste 15 jaar ontwikkeld heeft.

Dat viel niet mee, maar uiteindelijk kan ik een redelijk beeld schetsen (dankzij het werk van hele groepen KNMI’ers en medewerkers van het ministerie, zo heb ik begrepen van beide afdelingen persvoorlichting). De cijfers die zij gaven heb ik in onderstaande grafiek weergegeven.

Uit dit overzicht blijkt een flinke toename van de rijksbijdrage van 1998 tot 2001, onder Paars 2 met milieuminister Jan Pronk.

Ontwikkeling van de rijksbijdrage aan het KNMI van 1995 tot 2011

Vanaf 2005 worden de klimaatkosten afzonderlijk genoemd, beginnend met acht miljoen, maar die zaten daarvóór verstopt in de algemene kosten. Begin jaren 90 waren er nog amper klimaatuitgaven, dus kan geconcludeerd worden dat de verhoging van de rijksbijdrage aan het KNMI met 12 miljoen van 23 naar 35 miljoen voor 8 miljoen voor rekening kwam van klimaatonderzoek. Daarna is de rijksbijdrage ongeveer gelijk gebleven, maar is de post klimaat daarin gestegen van 8 naar 12 miljoen. De klimaatactiviteiten zijn dus deels ten koste gegaan van de weeractiviteiten, althans in de rijksbijdrage. Ze zijn inmiddels dus 30% van de omzet, en vragen 35% van de rijksbijdrage.

Uit het KNMI jaarverslag van 2009 komt het volgende overzicht:

Hier zien we dat de klimaatuitgaven in 2009 niet 12 maar 17 miljoen waren. Dat komt omdat er ook uit externe bronnen nog geld naar klimaatonderzoek bij het KNMI gaat, met name vanuit de EU.

Het is duidelijk dat het KNMI niet alleen vanwege wetenschappelijke status, politieke druk, en verwevenheid met het IPCC belang heeft bij het verkondigen van het IPCC standpunt, maar dat het ook voor een belangrijk deel van haar inkomsten afhankelijk is van de klimaatgeldstromen. Daarbij komt die bijdrage grotendeels van het ministerie waar ook de wensen op het gebied van ondersteuning van klimaat- en energiebeleid vandaan komen.

Deze afhankelijkheid is uiteraard in strijd met de behoefte aan onafhankelijk wetenschappelijk klimaatonderzoek.

Hoe erg is dit?

Op zich valt het KNMI tot zover eigenlijk niet zoveel te verwijten: zoals door het IPCC en de Nederlandse politiek van hen verwacht werd, hebben ze een eenduidig standpunt over klimaatverandering naar buiten gebracht, en wel dat van het IPCC. Over de alarmistische claims van het IPCC bestond namelijk volgens het IPCC en de eigen KNMI annex IPCC klimaatwetenschappers geen enkele twijfel.

Het is zeker niet zo dat vanuit het KNMI willens en wetens onjuiste informatie verstrekt is: de KNMI / IPCC klimaatwetenschappers die ik gesproken heb zijn serieus met hun vak (meestal een specialisme) bezig en zijn oprecht overtuigd van de juistheid van de IPCC claims.

Toch is het erg fout gegaan. Als vertegenwoordiger van het IPCC standpunt is het KNMI er in de eerste plaats op gericht geweest om dit te verdedigen tegen de aanvallen de sceptici, en juist niet om te kijken of die kritiek wellicht terecht zou kunnen zijn. In plaats van de objectieve bron van klimaatinformatie was het KNMI een fanatieke verdediger van de IPCC claims, en werd het instituut de kern van het Nederlandse verzet tegen de sceptici. Er zijn vele honderden uren van KNMI wetenschappers gestoken in het bedenken van een verdediging tegen sceptische aanvallen, zoals het boek van Marcel Crok, en men worstelt met de vraag hoe men die lastige sceptici toch de mond zou kunnen snoeren.

The missing hot spot

Het duidelijkste voorbeeld van de eenzijdige focus van het KNMI op de IPCC visie is de missing tropical hot spot.

Al in 2001 kwam Bjorn Lomborg in “The skeptical Environmentalist” met de constatering dat de klimaatmodellen van het IPCC principieel de sterkste opwarming voorspellen in de troposfeer boven de tropen, namelijk twee maal die van het aardoppervlak. Maar uit metingen blijkt dat daar helemaal geen opwarming plaatsvindt, zelfs een lichte afkoeling. Dit is volstrekt onverenigbaar met de aannames in de IPCC klimaatmodellen: óf de hotspot is er, óf de modellen kloppen totaal niet .

De tropical hot spot uit de modellen (links) is al 12 jaar onvindbaar bij metingen (rechts)

Als een ingenieur een model voor het effect van storm op een wolkenkrabber heeft gemaakt, en vervolgens in metingen blijkt dat dat model niet overeen komt met de werkelijkheid, dan wordt meteen de bouw stilgelegd en moet hij als de wiedeweerga met een nieuw model komen. Je zou verwachten dat ditzelfde ook met het klimaatbeleid en de IPCC klimaatmodellen zou zijn gebeurd na de met de modellen strijdige waarnemingen boven de tropen. Maar niets daarvan. Want wat is de reactie van de klimaatwetenschap op de missing hot spot?

“Die kunnen we niet verklaren, dus de metingen moeten fout zijn”.

Maar ook alle nieuwe metingen, van satellieten én weerballonnen, overigens onder andere van Christy, zelf voormalig IPCC auteur, tonen tot de dag van vandaag telkens de koele plek boven de tropen.

In 2007 wordt de missing hotspot in het KRO programma Reporter n.a.v. de uitzending van de sceptische documentaire “The Great Global Warming Swindle” voorgelegd aan KNMI wetenschapper Ari Kattenberg. Zijn reactie: “dat verschijnsel is nog niet verklaard”.

Dat was 6 jaar na de Engelse publicatie van Lomborgs boek, en zelfs 9 jaar na de Deense eerste druk. Tijd om toe te geven dat je het niet kúnt verklaren, of naar De Bilt rennen en daar als een gek naar een verklaring gaan zoeken, zou ik zo zeggen.

Maar daar is blijkbaar geen behoefte aan: men duikt steeds dieper in de eigen specialismen en vindt dus ook alleen maar waar men naar zoekt, terwijl elke vorm van zelfkritiek ontbreekt. Dat is een vorm van wetenschappelijke verblinding die begrijpelijk en niet eens ongebruikelijk is, maar juist daarom is het zo belangrijk dat men al zijn bevindingen altijd ter discussie stelt, en er een open en kritische sfeer hangt in en rond wetenschappelijke instituten.

IPCC en KNMI baseren zich dus al 12 jaar volledig op klimaatmodellen die aantoonbaar foute uitkomsten geven, maar dat lijkt niemand zich te willen realiseren. Het eigen gelijk is zo groot geworden dat de realiteit daaraan ondergeschikt geworden is.

Climategate

De klimaatwereld veranderde in één slag toen bij de climategate affaire duizenden emails uitlekten van het CRU in Engeland, waaruit bleek dat de jarenlang verguisde sceptici als Steve McIntyre  volledig gelijk hadden gehad over de onwetenschappelijke en onoorbare pogingen van de CRU wetenschappers om de kritiek op de hockeystick grafiek te ontwijken en uit de IPCC rapporten te houden. De daarop volgende stroom schandalen over fouten in de IPCC rapporten toonde aan wat de sceptici al jaren wisten: het IPCC en de groep wetenschappers eromheen is de wetenschappelijke kluts kwijtgeraakt en vervallen tot politiek actiegroepgedrag.

Climategate werd hiermee het moment van de waarheid: welke instituten en politici zouden hieruit de juiste conclusie trekken en toegeven dat men veel te eenzijdig het IPCC alle voordeel van de twijfel gegeven had, en de sceptici op ontoelaatbare wijze uit het wetenschappelijke proces geweerd had?

Mea Culpa

De reactie van de academische wereld, maar ook van het KNMI was uiterst bedroevend. Overheid, PBL, KNMI en de ingestelde onderzoekscommissies van PBL en IAC putten zich uit in het benadrukken dat de hoofdclaims van het IPCC ondanks climategate en de schandalen overeind bleven. Dat was verwonderlijk en ook onwetenschappelijk, want de consistentie van deze claims was helemaal geen onderwerp van onderzoek geweest. De claims waren zorgvuldig buiten de scope van de onderzoeken gehouden.

Het KNMI en het PCCC, het klimaatplatform van onder andere KNMI, PBL en ECN, hebben tot de dag van vandaag met geen woord gerept over de climategate affaire. Diederik Samsom staat volstrekt alleen in zijn constatering dat men de sceptici verkeerd had behandeld en de hand in eigen boezem zou moeten steken.

Door het uitkomen van het boek “De Staat van het klimaat” van Marcel Crok, acht maanden geleden, en vanwege het feit dat nog steeds niemand erin geslaagd is de conclusies ervan te ontkrachten, kan niemand meer overeind houden dat er consensus is over de IPCC claims en dat die in een zorgvuldig wetenschappelijk proces tot stand gekomen zijn.

Na het bestuderen van dit boek had het definitief afgelopen moeten zijn met de eenzijdige koers van het KNMI zou je zegen. Maar ook het afgelopen halve jaar bleek het KNMI helemaal geen aanstalten te maken om een serieuze dialoog aan te gaan met de sceptische wetenschappers in Nederland, of om gedane beloften gestand te doen om eindelijk eens onafhankelijk en ook kritisch onderzoek te gaan doen naar de claims van het IPCC. De aanvankelijke handreiking naar de sceptici na climategate bleek een hol gebaar.

Kortom: het Nederlandse volk is jarenlang op een volstrekt eenzijdige manier, en in mijn ogen dus verkeerd, voorgelicht over klimaatverandering, in een gezamenlijk optreden van het in naam wetenschappelijk onafhankelijke KNMI, en een opzettelijk goedgelovige politieke elite met een eigen duurzame en politieke agenda. Dat vind ik een ernstige zaak, waar snel een einde aan moet komen.

Wie is nou de schuld?

Het KNMI had nooit als propagandamachine gebruikt mogen worden door de regering. Het had die rol ook moeten weigeren. Inmiddels heeft het management en het IPCC gedeelte van de staf zich dermate geïdentificeerd met het klimaatalarmisme dat een nieuwe, objectievere koers van het KNMI in de huidige opzet niet realistisch is. Dat heb ik ook het afgelopen jaar in mijn contacten met het KNMI moeten ervaren.

Maar er is niet één schuldige aan te wijzen. Zowel de opstelling van de politici als van de KNMI leiding is uiteindelijk begrijpelijk, als je realistisch bent. Zo werkt politiek, en zo gaat het in instituten die van overheidsgeld afhankelijk zijn nou eenmaal. Grote organisaties gedragen zich als levende organismen en streven naar overleven en groei.

Fraai is het niet, en de zorgvuldige en objectieve informatievoorziening is het slachtoffer, maar binnen de bestaande KNMI structuur was een ander scenario eigenlijk onmogelijk. Vandaar dat die structuur op de schop moet.

De toekomst van het KNMI

Ik weet te weinig van het werk van het KNMI om zorgvuldig over haar toekomst te kunnen adviseren. Maar uit het voorgaande valt te concluderen dat er in ieder geval structurele veranderingen nodig zijn.

Hoe dan ook, de grote expertise van het KNMI op meteorologisch gebied moet bewaard blijven. Veel van haar werk vraagt continuïteit, zoals de internationale samenwerkingsverbanden, of lange termijn investeringen, dus ligt een publieke organisatie voor de hand. Uiteraard moet bezien worden welke taken beter geprivatiseerd kunnen worden.

Er zal ook een IPCC focal point moeten zijn, en een Nederlandse afvaardiging naar het IPCC. Dit zijn politieke organisaties, dus die kunnen direct onder het ministerie vallen.

Ook het wetenschappelijke klimaatonderzoek moet voortgezet worden, maar dan op een andere basis, en onder objectief wetenschappelijk toezicht. De invloed van de politiek en het IPCC moet hier volledig buiten de deur gehouden worden. Dit moet dus een afzonderlijk instituut worden, waar ook de enorme investeringen in computersystemen en klimaatprogramma’s van de laatste jaren beheerd gaan worden. Gezien de radicale breuk die er moet komen met de bestaande eenzijdige cultuur, lijkt me dat dit instituut geheel nieuw moet worden opgezet wat betreft bezetting, leiding en organisatie.

Concluderend heeft René Leegte terecht de kat de bel aangebonden: het handhaven van het KNMI in zijn huidige vorm is geen optie.