Minnesma pleidooi klimaatzaak

Eerder schreef ik over de Urgenda-zaak. Enkele citaten:

Geen van de apocalyptische voorspellingen van de klimaatalarmisten is tot dusver werkelijkheid geworden. Die verschrikkelijke opwarming wil maar niet komen. De stijging van de zeespiegel is gering en vertoont geen versnelling. De frequentie en kracht van weersextremen vertonen geen trends en al helemaal geen samenhang met CO2. Er zijn tot op heden nog geen klimaatdoden en/of –vluchtelingen gesignaleerd. De voedselproductie stijgt nog steeds – waarschijnlijk mede dank zij een hogere CO2–concentratie in de atmosfeer. (CO2 is plantenvoer. Groener kunnen we het niet maken!) De ijsbedekking van de polen is al tientallen jaren betrekkelijk constant. De biodiversiteit vertoont geen significante afname. En de ijsberen planten zich voort als konijnen. …

Tegen deze achtergrond is het het summum van waanzin om miljarden uit te geven aan klimaatbeleid, dat bovendien geen enkel aantoonbaar effect heeft. …

De uitspraak van de rechter is m.i. een ernstige schending van de trias politica. Bij dit alles heeft het gezonde verstand het moeten afleggen tegen feitenvrije pseudo–wetenschap en een decennialange misleidende klimaatpropaganda. …

Het gevolg: onvoorstelbare lasten voor de samenleving! …

In de politiek worden vele beloften gedaan die om tal van redenen vaak niet (kunnen) worden nagekomen, bijvoorbeeld over de schepping van banen en de vermindering van het begrotingstekort. Als rechters in al deze gevallen zouden ingrijpen zouden de bevoegdheden van de wetgevende en uitvoerende macht op onaanvaardbare wijze worden beperkt. Ik neem derhalve aan dat, los van de ondeugdelijke wetenschappelijke onderbouwing van het vonnis, de staat en politiek hun bevoegdheden zich niet zo maar laten ontfutselen. Ik verwacht dan ook dat zij in hoger beroep gaan.

En zoals ik al schreef, is de staat inderdaad in hoger beroep gegaan. Onder de titel, ‘Stand van zaken hoger beroep Klimaatrechtszaak’, heeft staatssecretaris Sharon Dijksma de Tweede Kamer op 9 april ingelicht over de ‘memorie van grieven’ (MvG) van de staat tegen het vonnis van de rechter.

Ik pik er een aantal krenten uit.

Geachte voorzitter,

De afgelopen periode heeft de landsadvocaat, in opdracht van de Staat, de zogenoemde memorie van grieven (MvG) geschreven. Dit betreft het eerste schriftelijke stuk in de procedure van het hoger beroep. Hierin geeft de Staat gedetailleerd en onderbouwd weer op welke onderdelen hij het niet eens is met de uitspraak van de rechtbank. De MvG is op 9 april 2016 aangeboden aan het gerechtshof en aan Urgenda.

In de bijlage treft u de Inleiding van de MvG aan. Dit is een beknopte samenvatting van de MvG en bevat onder meer de kern van het betoog van de Staat. …

Sharon A.M. Dijksma

Bijlage (fragmenten)

De Rechtbank Den Haag (de rechtbank) heeft op 24 juni 2015 uitspraak gedaan in het geding dat door Stichting Urgenda tegen de Staat was aangespannen (het Vonnis). In dit Vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de Staat onrechtmatig handelt jegens Stichting Urgenda, vanwege het klimaatbeleid dat Nederland voert. De rechtbank heeft een rechtsplicht van de Staat aangenomen jegens Stichting Urgenda om eind 2020 de Nederlandse uitstoot van broeikasgassen met 25% te reduceren ten opzichte van 1990. De Staat is tegen dit Vonnis in hoger beroep gegaan. Deze memorie van grieven bevat de uitgebreide motivering van de bezwaren die de Staat heeft tegen het Vonnis van de rechtbank.

Met Stichting Urgenda is de Staat van mening dat klimaatverandering moet worden aangepakt en dat de uitstoot van broeikasgassen moet worden teruggebracht. De Staat streeft samen met andere landen en organisaties ambitieuze doelen na. Het klimaatbeleid voldoet daarmee aan alle verplichtingen die voor de Staat voortvloeien uit internationale verdragen en het Europese recht op het gebied van klimaatverandering. Als onderdeel van de Europese Unie is de Staat op weg naar een broeikasgasreductie in de EU van 80-95% in 2050. Met de ambitieuze tussendoelstelling van het reduceren van de emissie van broeikasgassen van ten minste 40% in 2030 (t.o.v. 1990) levert de EU op wereldniveau een grote bijdrage aan de uiteindelijke beperking van de temperatuurstijging tot ruim onder de 2 graden Celsius.

Het geschil tussen Stichting Urgenda en de Staat gaat over de vraag of de Staat juridisch verplicht kan worden om voor de eerstkomende jaren tot eind 2020 verder te gaan in de reductie van broeikasgassen dan internationaal is afgesproken en is vastgelegd in Europees recht. De Staat is van oordeel dat hij hiertoe niet verplicht kan worden en bovendien niet onrechtmatig handelt jegens Stichting Urgenda.

Uit de internationale klimaatwetenschap volgt dat er meerdere reductiepaden zijn om de temperatuurstijging tot ruim onder de twee graden Celsius te beperken, juist door op nationaal, Europees en mondiaal niveau aanvullende maatregelen te nemen in de periode 2020-2050.

Dit verweer is gebaseerd op de veronderstelling dat klimaatmodellen een voorspellende waarde hebben. Dat is niet het geval. Zij kunnen niet eens het verleden ‘voorspellen’ (hindcasting), laat staan de toekomst (forecasting). De wetenschappelijke onderbouwing voor het miljardenverslindende klimaatbeleid ontbreekt dus. Het is dan ook verbazingwekkend dat deze opvatting, die indruist tegen eeuwenoude beginselen van de wetenschap (toetsing van hypothesen aan de werkelijkheid), nog steeds prevaleert.

Een modelmatige berekening toont aan dat de extra reductie zoals bevolen door de rechtbank 0.000045 °C minder gemiddelde wereldwijde opwarming tot 2100 tot gevolg zou hebben. Dit effect, dat wegvalt tegen alle onzekerheden die met een dergelijke berekening samenhangen, heeft geen meetbaar effect op het gevaar van klimaatverandering. Daarmee is niet gezegd dat Nederland niet moet bijdragen aan de wereldwijde reductie van broeikasgasemissie, maar wel dat Nederland de koers die in de wereld wordt gevolgd om tot emissiereductie te komen en de prioriteiten die daarbij worden gesteld, niet alleen kan bepalen. …

Sterker nog, als alle landen hun beloften ten aanzien van de beperking van CO2–uitstoot zouden nakomen, zou dat aan het eind van de eeuw toch geen significant aantoonbaar effect hebben op de gemiddelde wereldtemperatuur. Met behulp van dezelfde modellen als die van het VN–klimaatpanel (IPCC) heeft Bjørn Lomborg uitgerekend, dat als alle landen zich aan hun voornemens ter reductie van de CO2-uitstoot houden, het effect daarvan op de gemiddelde wereldtemperatuur in 2030 slechts 0,05 C zou zijn en 0,17 C in 2100. Dat valt op een thermometer niet waar te nemen.Het aantoonbare effect op de economie zal daarentegen wel duidelijk zijn: verwoestend!

Het is nog niet exact bekend wat de broeikasgasreductie die de rechtbank aan de Staat oplegt precies gaat kosten. Dat het om hoge (publieke) kosten gaat staat echter vast. Extra maatregelen in de sfeer van energiebesparing en hernieuwbare energie zijn lastig omdat er al vol wordt ingezet op het volledig uitvoeren van het Energieakkoord. …

Het door de rechtbank opgelegde nationale reductiebevel gaat verder dan wat internationaal is afgesproken en daarmee miskent de rechtbank de internationale dimensie van het klimaatprobleem en de noodzaak voor een internationaal gecoördineerde aanpak van dit probleem. Anders dan de rechtbank stelt, wordt naar de mening van de Staat klimaatverandering effectief aangepakt door internationale samenwerking. …

Internationale samenwerking is niet alleen de meest effectieve aanpak van klimaatverandering, het is ook de enig mogelijke aanpak van klimaatverandering. Zoals hierboven gesteld heeft de Nederlandse uitstoot slechts beperkt invloed op de wereldwijde koers van broeikasgasreductie. De uitspraak van de rechtbank heeft daardoor geen meetbaar effect op het gevaar dat ontstaat door klimaatverandering. Bovendien wordt de nationale beperking van broeikasgassen in de ETS–sectoren verminderd door het waterbedeffect. Daar staat tegenover dat de kosten van nationale aanvullende reductie aanzienlijk zijn. …

De keuze om verder te gaan dan internationaal is afgesproken, is een politiek vraagstuk over de economische en maatschappelijke ordening van de Nederlandse samenleving. Dergelijke beslissingen worden in het politieke proces gemaakt door democratisch gelegitimeerde vertegenwoordigers en met inbreng en afweging van alle betrokken belangen, waaronder ook de belangen waarvoor Stichting Urgenda opkomt.

Aldus enkele fragmenten uit de MvG van de staat tegen het vonnis in de Urgenda-zaak.

Lees verder hier.

Wat mij betreft had de MvG met de laatste alinea kunnen volstaan. De rest is in wezen allemaal speculatie op basis van klimaatmodellen, die geen enkele voorspellende waarde hebben. De passages over de kosten lijken mij echter wèl realistisch. Hoe het ook zij: ‘All pain and no gain.’

Voor mijn eerdere bijdragen over klimaat en aanverwante zaken zie hierhier, hier, hier en hier.