james%20ensor-854323

Schilderij van de Belgische schilder James Ensor.

Tussen de vele spamberichten vond ik laatst een juweeltje in mijn e-mail box, het was van “de correspondent”, een groenbevlogen bolwerk, “Kerstessay: Waarom onze politiek geregeerd wordt door doodsangst”, overdenkingen van Rob Wijnberg. Centraal hierin staat de ‘terror management theory’ die gebaseerd is op de wetenschap dat wij als mens bestaat en dat ons bestaan eindig is. Hij schrijft:

Om niet permanent geterroriseerd te worden door dit besef, heeft de mens volgens deze theorie cultuur uitgevonden. Onder cultuur kan worden verstaan: alles waarmee de mens betekenis tracht te geven aan het van nature betekenisloze bestaan. De verhalen die wij elkaar vertellen, de moraal waarnaar we leven, de regels die we elkaar opleggen, de symbolen die we op de wereld plakken, de mythes waarin we geloven: al die zaken zijn op een fundamenteel niveau manieren om te kunnen leven met de gedachte dat de dood onvermijdelijk is.

Zoiets had ik al eens elders gelezen, en vond dat allemaal heel verstandige taal. De essayist  heeft het in het vervolg over religie, als buitengewoon effectief middel tegen de doodsangst. Maar met het voortschrijden van de secularisatie nam het liberalisme en sociaal-democratie deze functie over. De moderne zin van het bestaan is een beter leven op aarde voor de volgende generaties, de vooruitgang.

Die vooruitgang is echter grillig en kent vele omwegen, momenteel steekt een tegen-beweging de kop op, het nationaal-nostalgisme: Nederland weer van ons, Make America great again. Voor het eerst geloven we niet meer dat toekomstige generaties beter af zijn dan wijzelf. Maar de consequentie is wel dat daarmee ook het ‘terror management’ faalt. Maar er moet iets zijn wat het leven betekenis geeft voorbij het sterfelijke individu.

Tot zover honderd punten, dacht ik, wat een grote geest, wat een haarscherpe analyse van de essentie van het ‘dasein’. Ik wilde dat ik dit alles had geschreven, als voorbereiding op de stelling dat dat nieuwe ‘iets’, dat het leven betekenis geeft, de terror management, de uitvinding is van global warming. Welhaast een schot voor open doel: De verhalen die wij elkaar vertellen over global warming, de moraal waar naar we leven om global warming tegen te gaan, de regels die we elkaar opleggen tegen global  warming, de symbolen die we op de wereld plakken, gutmensch, slechtmensch, de mythes waarin we geloven, global warming. Alles wat nodig is om een beter leven op aarde te projecteren voor volgende generaties.

De schrijver komt echter tot een tegenovergestelde conclusie:

Tegelijkertijd kampt de wereld wel degelijk met kolossale problemen. De vooruitgang van de afgelopen tweehonderd jaar mag dan ongeëvenaard zijn, onze huidige problemen zijn dat ook.

Klimaatverandering kan met recht een van de grootste problemen worden genoemd waar de mensheid zich ooit mee geconfronteerd heeft gezien. Onze totale energievoorziening en bijbehorend economisch systeem (fossiel kapitalisme) moeten ervoor op de schop.

Wat nu toch jammer dat hij eerst de redenatie zo briljant opbouwt en praktisch aantoont dat het geloof in global warming de behoefte aan terror management overgenomen heeft van de religie en dan vervolgens volledig ontspoort door zich er volledig aan over te geven.

Naast deze conclusie wil ook nog ter overweging meegeven dat voor klimaatsceptici de ontmaskering van global warming als “terror management” op zich net zo goed “terror management” is. Wij willen ook een betere wereld voor volgende generaties, wij willen niet dat ze gebukt gaan onder de zinloze lasten voor het bestrijden van een mythe.