Een bijdrage van Hugo Matthijssen.

De Nederlandse overheid heeft een crisis en herstelwet in het leven geroepen om in bijzondere situaties van groot belang snel te kunnen handelen Daarbij kun je denken aan rampen of de waterbouwkundige werken die nodig zijn voor onze dijkversterking etc. Dat betekent dat dan de inspraak voor een groot deel buiten spel gezet kan worden, de lagere overheid zoals de provincies en gemeenten kunnen door besluiten van de rijksoverheid voorbij gelopen worden worden. De regie komt in handen van de rijksoverheid. Hier kun u de belangrijkste punten uit deze wet terug vinden.

Een onderdeel van deze wet gaat over omgevingsvergunningen. Hier de belangrijkste punten.

Chw en de omgevingsvergunning

Door de diverse verbindingen tussen de Chw en de Wabo is de Chw vaak van toepassing op omgevingsvergunningen, in veel gevallen zelfs van rechtswege. In onderstaande wordt dit verder toegelicht.

Deze relaties kunnen ontstaan op drie (soms elkaar rakende) onderdelen van de Chw:

  • De stroomlijning van procedures voor besluiten (waaronder mogelijk de omgevingsvergunning) van ruimtelijke en infrastructurele projecten (geregeld in hoofdstuk 1).
  • De bijzondere voorzieningen (onder andere gebiedsontwikkelingsplannen en “Lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis”) waar mogelijk een omgevingsvergunning voor nodig is (geregeld in hoofdstuk 2).
  • De permanente wijzigingen uit hoofdstuk 3. Dit zijn wijzigingen die de Chw doorvoerde in reeds bestaande wetten in formele zin, waaronder ook de Wabo. Op deze permanente wijzigingen van wetten in relatie tot de Wabo wordt hier verder niet ingegaan.

Met behulp deze wet kunnen ruimtelijke procedures voor duurzame energie versneld worden. Kennelijk wordt het belang van deze installaties als landsbelang gezien en wordt voor projecten in het kader van duurzame energie zoals wind en zon en biomassa. Daarvoor wordt de regie bij de rijksoverheid gelegd en worden procedures versneld door de inspraak en ruimtelijke ordening (deels) buitenspel te zetten. De vraag is of dat wat duurzame energie betreft terecht is?

Wat duurzame energie betreft staat daar het volgende in:

1. Duurzame energie

  • 1.1.aanleg of uitbreiding van productie-installaties ten behoeve van de productie van biogas, biomassa, getijdenenergie, golfenergie, hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas of hernieuwbare warmte met behulp van aardwarmte, omgevingswarmte, osmose, rioolwaterzuiveringsgas, stortgas, waterkracht en zonne-energie
  • 1.2.aanleg of uitbreiding van productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998
  • 1.3.ontwikkeling en verwezenlijking van bodemenergiesystemen als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder h, van de Wet bodembescherming
  • 1.4.aanleg, wijziging of uitbreiding van installaties voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998 in de glastuinbouw, en van energienetwerken bestemd voor levering van restenergie aan op het netwerk aangesloten glastuinbouwondernemingen, dan wel levering van restwarmte van die ondernemingen aan anderen
  • 1.5.aanleg, wijziging of uitbreiding bij agrarische bedrijven van installaties voor co-vergisting van de biologische afbraakreacties van in hoofdzaak verpompbare vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren en een of meer stoffen, genoemd in bijlage Aa, onder IV, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
  • 1.6.ontwikkeling en verwezenlijking van overige ruimtelijke en infrastructurele projecten ten behoeve van het transport of het leveren van duurzame energie”

Zie deze bijlage.

De praktijk

Laten we om de praktijkuitwerking van de inzet van duurzame energie in beeld te krijgen de Urgenda-zaak er eens uitlichten. Zoals algemeen bekend is heeft Urgenda een proces “gewonnen” over de mate waarin de beleidsdoelen van de overheid t.a.v. terugdringen van de CO2 uitstoot gehaald moet worden. Volgens de rechter kan de overheid makkelijk het aandeel duurzame energie in de toekomstige beleidsplannen ophogen van 14 en 20% in 2020 en 2024 naar 25% op korte termijn.

Daarbij gaat de overheid van 2 vooronderstellingen uit: 1e Dat de klimaatmodellen valide zijn en geschikt om voorspellingen te doen over de temperatuurontwikkeling tot meer dan 80 jaar vooruit. Ondanks alle berichten over wetenschappelijke consensus die niet meer zegt dan dat we het eens zijn dat CO2 een broeikasgas is en effect heeft op de temperatuur op aarde (wat maar een klein deel van de werkelijkheid is) zijn er in de VS onderzoeken gedaan naar de relatie tussen de voorspelde en werkelijke temperatuurontwikkeling en daaruit blijkt dat de voorspellingen zelfs op korte termijn al veel te hoog uitkomen. Je zou dan ook eerst eens nader onderzoek kunnen doen hier een voorbeeld van zo’n onderzoek. Zie o.m.

Climate models versus climate reality

by Pat Michaels and Chip Knappenberger

Perhaps the most frank example of the growing disconnection between forecast and observed climate change was presented by University of Alabama’s John Christy to the Senate Subcommittee on Space, Science, and Competitiveness Committee of the U.S. House of Representatives on December 8.

Bron hier.

Het beleid is er op gebaseerd op de veronderstelling dat klimaatmodellen een voorspellende waarde hebben. Dat is niet het geval. De wetenschappelijke onderbouwing voor het miljardenverslindende klimaatbeleid ontbreekt dus. Het is dan ook verbazingwekkend dat deze opvatting, die indruist tegen eeuwenoude beginselen van de wetenschap (toetsing van hypothesen aan de werkelijkheid), nog steeds prevaleert.

En als 2e punt kunnen we eens kijken naar het effect van de inzet van duurzame energie op terugdringing van de CO2 uitstoot. In de Memorie van grieven van de staat tegen de Urgenda-zaak kun je het volgende lezen:

Een modelmatige berekening toont aan dat de extra reductie zoals bevolen door de rechtbank 0.000045 °C minder gemiddelde wereldwijde opwarming tot 2100 tot gevolg zou hebben.

Dit effect, dat wegvalt tegen alle onzekerheden die met een dergelijke berekening samenhangen, heeft geen meetbaar effect op het gevaar van klimaatverandering. Daarmee is niet gezegd dat Nederland niet moet bijdragen aan de wereldwijde reductie van broeikasgasemissie, maar wel dat Nederland de koers die in de wereld wordt gevolgd om tot emissiereductie te komen en de prioriteiten die daarbij worden gesteld, niet alleen kan bepalen. …

Bron hier.

Sterker nog, als alle landen hun beloften ten aanzien van de beperking van CO2–uitstoot zouden nakomen, zou dat aan het eind van de eeuw toch geen significant aantoonbaar effect hebben op de gemiddelde wereldtemperatuur. Met behulp van dezelfde modellen als die van het VN–klimaatpanel (IPCC) heeft Bjørn Lomborg uitgerekend, dat als alle landen zich aan hun voornemens ter reductie van de CO2-uitstoot houden, het effect daarvan op de gemiddelde wereldtemperatuur in 2030 slechts 0,05 C zou zijn en 0,17 C in 2100. Dat valt op een thermometer niet waar te nemen.

Het beleid dat er op gericht is om met inzet van duurzame energie een CO2-reductie te realiseren en daarmee een “klimaatramp” te voorkomen blijkt niet te werken ondanks de inzet van gigantisch veel geld en middelen is het niet effectief met de ingezette middelen en wordt het doel niet bereikt. Dat betekent dat de inzet van de crisis en herstelwet voor het bevorderen van duurzame energie niet terecht is omdat het nauwelijks een meetbare bijdrage levert aan het behalen van klimaatdoelen.

De inzet van duurzame energiebronnen blijkt niet effectief. Het is dan ook weggegooid geld. Het is vergelijkbaar met het vol aanzetten van warmtepompen als er een raam kapot is. Dat is een verspilling van energie terwijl de opgewarmde lucht door het kapotte raam verdwijnt. Repareren van het raam is hier wel effectief en op dit moment is onze overheid miljarden aan het uitgeven die in de nabije toekomst via de energierekening bij de burger zal worden opgehaald zonder dat dat een meetbaar effect zal hebben op de wereldwijde temperatuurontwikkeling.

Hier kun je dan ook de conclusie trekken dat de inzet van de crisis en herstelwet onterecht is “de crisis” is nog onvoldoende in beeld en de ingezette middelen werken gewoon onvoldoende.

Naschrift

Wat maakt dat de middelen onvoldoende werken? Nu heb ik daar al veel over geschreven dus zal ik het kort houden en deze zaken kun je terug vinden in mijn stukjes op linkedin, climategate.nl en de groene rekenkamer.

Het eerste punt waar we zicht op moeten krijgen is hoe belangrijk is de bijdrage van hernieuwbare bronnen en dan halen we de gegevens uit 2016 er eens bij zie deze link.

In 2016 was er een totaal gebruik aan energiedragers van 3040 PJ. Het totale finale energiegebruik was 2119 PJ . Het aandeel hernieuwbaar was 125 PJ en 60% daarvan kwam van biomassa. Dat terwijl nu bekend is dat bijvoorbeeld hout stoken in centrales een hogere CO2-uitstoot geeft dan kolenstook. Het scheelt meer dan 20 tot 30%. En dan hebben we het nog niet over de ecologische aspecten en het effect op het vastleggen van CO2 door bossen die daar meer dan 40 jaar voor nodig hebben. Met biomassa werd iets meer dan 79 PJ opgewekt en die kun je er wel naast zetten. Dat betekent op korte termijn extra CO2-uitstoot.

Veel mensen denken dan ook dat we een toekomst hebben met de inzet van wind en zon. Het blijkt blijkt dat veel mensen de bijdrage daarvan zwaar overschatten. De werkelijkheid is gewoon een ramp te noemen. In 2016 kwam 29,95 PJ uit wind en 6,75 PJ uit alle zonnepanelen. Kijkend naar het totaal finale energiegebruik van 2119 PJ is de bijdrage van wind en zon in 2016 te verwaarlozen. Zeker als je rekening gaat houden met de inpassingsverliezen en de noodzakelijke zeer dure aanpassing van het stroomnet om windpieken te transporteren en windparken op zee aan te sluiten. Ook na invoering van het energieakkoord zal de verhouding van wat duurzame bronnen genoemd worden hetzelfde blijven en moet meer dan 60% uit biomassa komen. Dat is de doodsteek voor de bossen in de wereld en dat kan nooit de bedoeling zijn. En ga je de hoeveelheid wind en zon verdrievoudigen dan is de bijdrage nog steeds marginaal en nemen de inpassingsverliezen enorm toe.

Hoe komt het dan dat de beeldvorming in de Tweede Kamer zover af staat van de realiteit? Als eerste het grootste deel van de hernieuwbare bronnen leveren elektriciteit (zie link CBS). En elektriciteit is niet meer dan 20% van ons totale finale energiegebruik. Het 2e punt is dat de levering van wind en zon wordt aangegeven in huishoudens dan lijkt het lekker veel.

Enkele voorbeelden:

1e Kijken we nu naar het Gemini windpark dan wordt aangegeven dat dit windpark stroom levert aan 1,5 miljoen mensen (780.000 huishoudens).

Nu hebben we iets meer dan 7.7000.000 huishoudens in Nederland, zodat dit windpark niet veel verder komt dan de stroomvoorziening van ongeveer 10% van de huishoudens, wat neerkomt op 0,4% van het totale finale energiegebruik.

2e De overheid heeft gesteld dat we in 2020 totaal 6000 MW opgesteld windvermogen op het land moeten hebben staan. Nu leveren windmolens op het land in windrijke gebieden aan zee nog wel iets bruikbare stroom in windarme gebieden zoals rond Emmen is dat een stuk minder. Afhankelijk van het jaarlijkse windcijfer komen alle windmolens op het land door het jaar heen niet veel verder dan 21 tot 24% van deze 6000 MW, maal het aantal uren per jaar. En dat aanbod-gestuurd, zodat er sprake is van inpassingsverliezen. Dat is niet meer dan een centrale van 1200 tot 1400 MW door het jaar kan leveren .

En nog een nieuwtje: bij de laatste storm werd windkracht 10 gehaald en werden de windparken op zee stilgezet. De Netbeheerder kwam opeens het vermogen van een forse centrale te kort. Pas de volgende dag rond 14.00 uur waren de windparken weer online.

Dat betekent dat naarmate er meer wind op zee geplaatst wordt er als achtervang ook eenzelfde capaciteit aan centrales beschikbaar moet zijn. Anders gaat het licht uit bij zware storm. En die energie heb je dan juist nodig om je land droog te houden. Zonder stroom geen pompen.

Print Friendly, PDF & Email