Een bijdrage van Fred Udo.

Er is de laatste tijd veel discussie over het welvaartsverlies door de energietransitie. Dit is voer voor economen, maar als kritische burger lees je wel eens wat. Bijvoorbeeld dit persbericht gedateerd 7 dec 2017.

Er komt in de voorjaarsronde van de stimuleringsregeling voor hernieuwbare energieproductie (SDE) opnieuw 6 miljard euro beschikbaar. Voor het najaar van 2018 wordt naar verwachting opnieuw 6 miljard euro beschikbaar gesteld; dit wordt door minister Wiebes van  Economische Zaken en Klimaat vermoedelijk voor juni van dit jaar bekendgemaakt.

Hiermee komt het totaal van toegezegde subsidies in 2018 net als in 2017 op 12 miljard euro. De SDE-regeling wordt direct gefinancierd door heffingen op het verbruik van elektriciteit, maar voornamelijk door de energiebelasting op gas. De bedragen zijn niet terug te vinden op de rijksbegroting.

Diederik Samsom.

Vaak wordt gedacht, dat de SDE-regeling investeringen stimuleert die in de toekomst rente en groene energie zullen opleveren. Helaas nee, deze 12 miljard per jaar zijn alleen bestemd om de exploitatietekorten op al die groene activiteiten te dekken. De Nederlandse samenleving schiet er niets mee op, behalve een goed groen gevoel.

Er is geen reden om te veronderstellen, dat de jaarlijks toegezegde SDE-verplichtingen zullen verminderen gezien de opgewonden berichtgeving over het niet halen van klimaatdoelen en het optuigen van een nieuw instituut bestaande uit zes tafels, die onder de beproefde leiding van de heren Samsom en Nijpels ons naar een energieneutrale toekomst in 2030 gaan leiden.

Ed Nijpels.

Er is discussie om de industrie mee te laten betalen, maar in Den Haag begrijpt men heel goed, dat hiermee de internationale concurrentiepositie van de Nederlandse industrie hopeloos zou verslechteren. Het ingenieursbureau CE Delft heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de inkomens effecten van het energieakkoord. [i]

 

 

Het volgende plaatje illustreert de herkomst van 10,66 miljard energiebelastingontvangsten:

De kleinverbruiker betaalt 75.5 procent van de energiebelasting en dat zal zo blijven.

De subsidies van de SDE regeling betekenen, dat elk van de 8 miljoen huishoudens met een schuld wordt opgezadeld, af te lossen in de volgende 15 jaar. Deze aflossing gebeurt middels een opslag op de energiebelasting in de daaropvolgende 15 jaar.

De aflossing in 2018 is te berekenen uit de eerder aangegane SDE-verplichtingen:

2017 12 miljard

2016 en eerdere jaren samen 21 miljard, dus totaal 33 miljard.

De kleinverbruikers moeten hiervan dus 0,755 x 33 miljard = 24,9 miljard betalen in 15 jaar.

De 8 miljoen kleinverbruikers betalen dus samen:

24,9 miljard/15 = 1661 miljoen euro per jaar.

De energiebelasting per huishouden is dus 1661 miljoen/8miljoen = 208 euro in 2018.

Mijn veronderstelling is, dat ook na 2018 elk jaar 12 miljard SDE subsidies zullen worden toegekend voor nieuwe projecten. Gezien de ambities van het volgende energieakkoord is dit bedrag waarschijnlijk te laag, maar ik heb het bedrag constant gehouden. Deze 12 miljard wordt uitbetaald in de 15 jaar volgend op de toekenning, dus elk volgend jaar betalen wij 12 miljard/15 =  800 miljoen extra energiebelasting. De kleinverbruikers betalen hier 75,5% van (zie de grafiek in het artikel) of 604 miljoen per jaar. Dit bedrag wordt verdeeld over 8 miljoen aansluitingen, dus de  verhoging van de energiebelasting is 75,5 euro per jaar.

In 2021 zal de energiebelasting dus 208 + 225 = 433 euro zijn.

Eric Wiebes.

In de NRC van 4 dec 2017 was er een discussie over dit onderwerp. Hierin stond, dat volgens minister Wiebes “In 2021 de energienota 175 euro hoger zal zijn.” Dit is te rooskleurig, want in 2021 zal de energiebelasting voor de burger 302 euro per jaar hoger zijn dan in 2017.

Dit is niet de enige verhoging van de energienota, want Tennet moet vele miljarden gaan investeren in stopcontacten op zee om de windstroom aan land te krijgen. De rekening hiervoor zien wij terug op onze energienota in de vorm van netbeheerskosten.

De eerste conclusie van het onderzoek van CE Delft is dus, dat de burger 75,5% en het kleinbedrijf 20,8% van de energiebelasting betaalt, de grote bedrijven betalen vrijwel niets.

De tweede conclusie is, dat de verhoging van de energieprijs verhoudingsgewijs de lagere inkomens veel harder treft dan de hogere inkomens, terwijl de baten van het beleid, zoals subsidie voor elektrische auto’s en zonnepanelen, voor 80% bij de hogere inkomens terecht komen.

Hieruit volgt, dat niet alleen de energiebelasting de meest asociale belasting is, die ooit is opgelegd, het hele klimaatbeleid veroorzaakt een massale overdracht van kapitaal van arm naar rijk. Hoe linkse politici enthousiaste voorstanders kunnen zijn van een dergelijk beleid is mij een raadsel. [ii]

In het bovenaangehaalde artikel van de NRC zei de directeur van Essent:

We gaan natuurlijk niet over inkomensverdeling in dit land, maar we zien nu al dat 7 procent van onze 2,5 miljoen klanten de rekening niet kan betalen.

De energiebelasting is zeker niet de enige heffing, die veroorzaakt wordt door het enthousiasme van onze bestuurders voor de energie-transitie. Op de website van de gemeente Almere is de volgende tekst te vinden:

In 2022 is Almere een energieneutrale stad. Dat is het doel van de gemeente Almere!

Dezelfde ronkende teksten staan op veel websites van gemeenten en provincies, maar dit alles komt niet gratis en meestal werkt het ook niet.

Een goed voorbeeld is de provincie Brabant. De provincie had in 2017 30 miljoen gereserveerd voor groene energie, waarvan 20 miljoen is uitgegeven. De bestuurders waren zo verstandig om een extern bureau te vragen of het lopende programma voldoende zou zijn om de zelf gestelde klimaatdoelen te halen. Dat bleek niet het geval, dus er moet (veel) geld bij.

Deze bedragen worden via verhogingen van gemeente en provinciebelastingen opgehaald en dit geld is dus niet begrepen in de miljarden van de SDE-regeling.

Het totale welvaartsverlies door het financieren van “groen” beleid is veel hoger dan 12 miljard per jaar’

Kosten Wind op zee

Het tegenargument is nu: Wind op zee kan voortaan zonder subsidie. Hoe is dit mogelijk?

Uit een artikel van het FD van 26 jan 2017 citeren wij de kop en een tekst:

Hausse in groene energie blijft

Afgelopen jaar is er voor € 18,2 mrd geïnvesteerd in wind op zee. Daarmee is voor 4900 megawatt aan offshorewind gefinancierd. Dat is een stijging van 40% ten opzichte van 2015.

Dit betekent, dat de prijs voor wind op zee in 2016 dus 3,7 miljoen euro per MW was.

Dit is iets minder dan het gemiddelde over voorgaande jaren van ruim 4 miljoen per MW.

Hier zien wij dus een alleszins redelijke verlaging van ongeveer 10%.

Daarnaast zijn er twee nieuwe elementen in de prijs van wind op zee.

De eerste is de uitzonderlijk lage rentestand, de tweede is het niet opnemen van de aansluitkosten en netverzwaringen in de kostprijs.

De laatste zullen wij terugvinden in de post netbeheer (transport) op onze stroomrekening.

Deze 2 posten verklaren geen prijsverlaging van een factor 3. Hoe dit kan is mij en velen met mij een raadsel. Voorlopig draait er nog geen windturbine zonder subsidie.

Een derde punt is het opvangen van de ongecontroleerde variaties in de windproductie.

De kosten van deze compensaties groeien sneller dan lineair met de hoeveelheid windstroom in het net. Hoe meer windstroom hoe kostbaarder de compensatie per geleverde kilowattuur. Vroeger werden deze kosten als onbalanskosten in rekening gebracht bij de windindustrie. Deze kosten worden volgens een beslissing van de minister al sinds 1 jan 2010 niet meer betaald door de producenten, maar door de afnemers.

Wanneer deze compensatie met snel reagerende centrales wordt gedaan zoals in ons land, dan geldt de stelling: [iii]

Zelfs als windstroom gratis was, dan zijn de kosten hoger dan voor klassieke stroom.

 

Bronnen:

i R. Vergeer, CE Delft, Verdeling baten klimaatbeleid tussen armere en rijkere huishoudens

CE Delft heeft nog meer analyses van het klimaatbeleid uitgevoerd.

ii Rypke Zeilmaker analyseert in de Elsevier van 15 februari de onwaarschijnlijke alliantie tussen grote internationale bedrijven en de milieubeweging in het nastreven van klimaatdoelen zoals vastgelegd in “Parijs”.