Urgenda heeft gewonnen! Juichend hoorden ze de uitspraak van de rechter aan. Maar zelden had een rechterlijke uitspraak zo’n hoog ‘Alice in Wonderland’-gehalte.

Een blamage voor het niveau van rechtspraak in Nederland en een ondermijning van de Trias Politica!

Een bijdrage van Hugo Matthijssen.

De uitspraak

De uitstoot van broeikasgassen moet eind 2020 met tenminste 25% verminderd worden ten opzichte van 1990. Dat heeft het gerechtshof Den Haag geoordeeld in een procedure van Urgenda tegen de Nederlandse Staat. Het gerechtshof bevestigt met de uitspraak in de klimaatzaak het vonnis van de rechtbank Den Haag.

Zie hier.

De rechter achtte het belang groot en die reductie moest haalbaar zijn. Dat bleek uit de stukken die Urgenda tijdens de zitting had ingebracht. Vervolgens heeft de overheid bezwaar gemaakt, waarbij in de memorie van grieven het volgende werd aangegeven:

Een modelmatige berekening toont aan dat de extra reductie zoals bevolen door de rechtbank 0.000045 °C minder gemiddelde wereldwijde opwarming tot 2100 tot gevolg zou hebben. Dit effect, dat wegvalt tegen alle onzekerheden die met een dergelijke berekening samenhangen, heeft geen meetbaar effect op het gevaar van klimaatverandering.

Waar hebben we het over? Wat kan de overheid doen? De overheid heeft gekozen voor wind, zon en biomassa en gaat er vanuit dat daarmee voldoende CO2-reductie kan worden behaald om een vertraging van de opwarming te bereiken. Ook is er gekozen voor het sluiten van kolencentrales. Praktisch gezien dus een versnelling van de huidige plannen, die een niet meetbaar effect gaan opleveren tegen gigantische kosten voor de Nederlandse samenleving. De rechter heeft in het beroep alsnog Urgenda gelijk gegeven.

Een patstelling zou je zeggen. Dit schrijft Hans Labohm over deze zaak:

Dit verweer is gebaseerd op de veronderstelling dat klimaatmodellen een voorspellende waarde hebben. Dat is niet het geval. Zij kunnen niet eens het verleden ‘voorspellen’ (hindcasting), laat staan de toekomst (forecasting). De wetenschappelijke onderbouwing voor het miljardenverslindende klimaatbeleid ontbreekt dus. Het is dan ook verbazingwekkend dat deze opvatting, die indruist tegen eeuwenoude beginselen van de wetenschap (toetsing van hypothesen aan de werkelijkheid), nog steeds prevaleert.

Zie hier.

Hoe nu verder?

We moeten meer windmolens en zonnepanelen neerzetten, dan halen we de reductie wel is de simpele gedachte van Urgenda in deze zaak en dat is overgenomen door de rechter. Ze gaan er kennelijk van uit dat deze bronnen voldoende energie gaan leveren om, naast een energiebesparing de fossiele centrales te kunnen vervangen.

De praktijk is anders. In stukken van de overheid wordt de levering van wind en zon niet in MWu aangegeven maar in MW opgesteld vermogen en in huishoudens. Dat geeft een vertekend beeld. Wind en zon zijn weinig energie intensieve weersafhankelijke bronnen en we hebben in Nederland 7,8 miljoen huishoudens die samen bijna 4% van het totale finale energiegebruik in de vorm van stroom gebruiken. Het totale stroomgebruik van Nederland is ongeveer 20% van het totale finale energiegebruik van 2100 PJ.

Het aangeven van de levering van zogenoemde hernieuwbare bronnen in huishoudens geeft een sterk vertekend beeld. Het grootste windpark Gemini is een goed voorbeeld. Daarvan wordt trots aangegeven dat het park per jaar stroom levert voor 780.000 huishoudens. En dat is wel bijna 4 miljard subsidie waard is de mening van de overheid. Ze hebben in de 2e kamer kennelijk niet in de gaten dat dat windpark slechts boven windkracht 6 dit opgestelde vermogen kan leveren en dat molens vaker langzamer draaien en de levering ook wel eens bijna 0 is.

Kijken we naar de cijfers van dit windpark, dat toch wel stroom levert voor 780.000 huishoudens, dan is dat in de praktijk niet meer dan 0,4% van het totale finale energiegebruik, uitgaande van de opgave van de eigenaren. Iets meer dan bijna niets. En daar moeten de inpassingsverliezen van die weersafhankelijke stroom op het vraaggestuurde net nog vanaf.

De oplossing van Urgenda, meer wind en zon, is dan ook een doodlopende weg. Met de relatief geringe bijdrage van dit grootste windpark wordt het erg moeilijk om de doelen te halen.

De cijfers van 2017 van het CBS

Laten we nu eens kijken wat hernieuwbaar in 2017 voorstelde. Uit de cijfers van het CBS blijkt dat het verbruik van hernieuwbare energie in Nederland in 2017 in totaal 138 petajoule (PJ) was . Dit is ruim 10 procent meer dan het jaar daarvoor. Het totale finale energiegebruik was in 2017 ongeveer 2100 PJ, net als in 2016.

Bron hier.

Hoe zijn deze cijfers opgebouwd?

  • Biomassa 83,99 PJ
  • Wind 34,71 PJ
  • Zon 8,88 PJ
  • Aard- en bodemenergie 7,12 PJ

Het opgestelde vermogen van wind en zon in 2017

Zonnestroom: Het verbruik van zonne-energie (elektriciteit en warmte) groeide in 2017 met 31 procent naar 9 PJ. De opgestelde capaciteit van zonnepanelen voor zonnestroom steeg met een recordhoeveelheid, van ruim 800 megawatt (MW) naar totaal bijna 2900 MW.

Windstroom: De energie uit wind nam tegelijkertijd met 15 procent toe tot 35 PJ. Vooral door het plaatsen van 600 MW aan windmolens op zee in de tweede helft van 2016 kon het verbruik flink toenemen. Die windmolens draaiden in 2017 een vol jaar mee. In 2017 werden nauwelijks nieuwe windmolens bij geplaatst en bleef de totale windcapaciteit staan op 4200 MW.

Dat klinkt geweldig 2900 MW zonnepanelen en 4200 MW opgesteld windvermogen. Maar wat kun je daarmee? Wat draagt dat bij aan onze energievoorziening?

Windstroom: Zou je de opgestelde windcapaciteit in 2017 continu kunnen laten doordraaien en daarbij het opgestelde vermogen leveren dan zou dat 4200 MW x 24 x 365= 36792000 MWu opleveren. Een PJ komt overeen met 277.777,8 MegaWatt uur. Dat betekent dat het opgestelde vermogen x het aantal uren per jaar uitkomt op 36792000 : 277777,8 = 132,5 PJ.

Kijken we naar deze cijfers van het CBS dan blijkt dat alle windmolens opgesteld op het land en op zee samen totaal in 2017 slechts 34,7 PJ hebben geleverd. De gemiddelde productiecapaciteit van alle molens in Nederland en op de Noordzee samen kwam daarmee op (34,7 : 132,5) x 100 = 26,1%. Dat is de productiefactor.

In 2017 leverden alle molens samen met hollen en stilstaan net 26,1% van 4200 MW = 1096,2 MW gemiddelde capaciteit maal het aantal uren per jaar. Dat is nog veel minder dan een grote centrale aan de Eemshaven van 1560 MW kan leveren als die wordt ingezet als basislastcentrale,

En Zonnestroom? Totaal opgesteld vermogen eind 2017 was 2900 MW de capaciteit was in 2017 met 800 MW gegroeid. Laten we daar de helft van meerekenen dan komen uit op een gemiddeld piekvermogen over het jaar heen van alle zonnepanelen samen op 2500 MW

Maal het aantal uren per jaar is dat 2500 x 24u x365 = 21900000MW wat overeenkomt met 78,9 PJ. In 2017 was de werkelijke levering van alle zonnepanelen samen 8,88 PJ. De productiefactor van zonnepanelen was in 2017 (8,88 : 78,9) x 100% = 11,25% Dat komt overeen met 281,25 MW doordraaiende centrale capaciteit. Bedenk daarbij dat die zonnepanelen in de zomer overdag kunnen pieken met 2400MW en dat voor zonnestroom 9 x meer netwerk nodig is om de pieken op te vangen dan dezelfde hoeveelheid stroom geleverd met centrales.

De levering van alle windmolens op het land en op zee samen in 2017 was 26,1% van het opgestelde vermogen en alle zonnepanelen opgesteld in Nederland kwamen niet verder dan 11,25% van het opgestelde piekvermogen.

Door nu in beleidsstukken te spreken van huishoudens lijken wind en zon cijfermatig een grote bijdrage te gaan leveren. En als je dan ook geen rekening houdt met de productiefactor van wind en zon in Nederland lijkt het opgestelde vermogen van wind en het piekvermogen van zonnepanelen wel bruikbaar om centrales te vervangen. Dat betekent in de praktijk dat het vonnis van de rechter op sprookjes is gebaseerd. Samen leverde wind en zon in 2017 totaal 34,7 PJ + 8,9 PJ = 44,6 PJ .

Het totale primaire energiegebruik was in 2017 3150 PJ. En haal je daar de omzettingsverliezen vanaf zoals bij de productie van stroom en ook het deel im- en export en het gebruik als grondstof in de chemie etc., dan kom je uit op het totale finale energiegebruik van 2100 PJ. Zet je de levering van wind en zon samen in 2017 af tegen het totale finale energiegebruik dan is de bijdrage van wind en zon net 2,12%. Dat was de bijdrage van wind en zon samen. De rest van die in 2017 geleverde 6,6% hernieuwbaar kwam voornamelijk van biomassa en nog een paar kleinere bronnen zoals lucht aard- en bodemenergie etc.

Wat ook nog moet worden meegenomen is het feit dat weersafhankelijke bronnen stroom leveren aan een vraaggestuurd netwerk, stroom die moet worden ingepast. Die inpassing gaat gepaard met verliezen zodat de CO2 reductie marginaal te noemen is. Kijk je dan naar de bijdrage van wind en zon samen dan zal duidelijk zijn dat het simpel bijbouwen van wind – en zonneparken weinig zin heeft. De levering van deze weerafhankelijke bronnen is in verhouding tot het totale energiegebruik gering. Kijk je met dit in het achterhoofd naar het vonnis van de rechtbank dan is dat praktisch niet uitvoerbaar ook als je tijd en geld genoeg hebt de levering van windmolens en zon is relatief gering omdat deze bronnen niet energie intensief genoeg zijn . Maar dat beeld was in 2015 ook al duidelijk.

Dit schrijft de algemene rekenkamer in 2015:

SDE+-regeling levert minder energie uit hernieuwbare bronnen op dan gedacht

De regeling SDE+ zal waarschijnlijk minder energie uit hernieuw­­­bare bronnen opleveren dan het kabinet van tevoren had berekend. De hoeveelheid subsidie die de minister van Economische Zaken (EZ) jaarlijks beschikbaar stelt voor de ontwikkeling van windmolenparken, waterkracht­centrales, aard­warmte­­pompen, biomassavergisters enzovoort, blijkt te laag. Het subsidiebudget is op papier afgestemd op het halen van de beleidsdoelen voor 2020 en 2023, maar houdt geen rekening met praktijkfactoren. SDE+-projecten vallen regelmatig uit of lopen vertraging op. Bovendien leveren eenmaal draaiende projecten gemiddeld 26% minder energie op dan op papier mogelijk is – soms door technische problemen, soms door beperkte beschikbaarheid van biomassa.

Doelen voor 2020 en 2023 raken uit zicht, maar minister past beleid niet aan

Doordat de minister in zijn berekening van het SDE+-subsidiebudget vasthoudt aan de maximale hoeveelheid energie die projecten kunnen opleveren, geeft hij geen euro teveel subsidie uit. Maar zijn behoudende benadering brengt wel risico’s met zich mee voor het halen van de beleidsdoelen voor 2020 en 2023. Nederland gaat met het huidige beleid deze doelen hoogstwaarschijnlijk niet halen. Het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen zal volgens diverse studies vermoedelijk uitkomen op 12,4% (in plaats van de 14% die in EU-verband is afgesproken) in 2020 en op 15,1% (in plaats van de 16% die in het Energieakkoord is afgesproken) in 2023. Deze signalen heeft de minister van EZ tot op heden niet aange­grepen om zijn beleid bij te sturen.

Kijken we nog verder dan is de voorgestelde oplossing nog meer projecten voor nog meer miljarden ga je daarmee rekenen dan kom je met medeneming van de noodzakelijke netwerkverliezen uit op 100 miljard alleen voor de uitvoering van het energieakkoord.

Kijk je naar dat akkoord dan komt er relatief weinig stroom van wind en zon en het grootste aandeel, ongeveer 60%, moet komen biomassa.

Er zitten echter nog een paar adders onder het gras.

De rekenkamer heeft het over 14% in 2020 en 16% in 2023. Het aandeel in 2013 was echter al 4,5 %. zodat we met de uitvoering van het energieakkoord 100 miljard gaan uitgeven inclusief extra netwerkkosten om tussen 2013 en 2020 te komen tot een toename van 9,5% en in 2023 tot 11,5%. Zie hier.

Kijken we naar de doelen van het energieakkoord dan zien we dat daar gesproken wordt over een toename van het aandeel hernieuwbare energie. Energie voornamelijk met wind, zon en biomassa opgewekt. Let wel het is een energieakkoord geen klimaatakkoord.

Wat is de klimaatwinst vraag je je dan ook af. 60% Moet komen van biomassa en het is allang duidelijk dat dat niet echt een oplossing is om een CO2-reductie te realiseren. Biomassa gebruik blijkt in de praktijk alleen maar meer CO2-uitstoot te veroorzaken. De fout zit in Brussel dat de time span van 30 tot 60 jaar tussen het verbranden van bomen en de tijd dat bomen groeien en weer opslag van CO2 in hout is gerealiseerd, is vergeten.

Greenpeace geeft in België het volgende aan:

Biomassa beschouwen als milieuvriendelijke energiebron is een rekenfout.

Ten slotte is het een illusie te denken dat biomassa een CO2-neutrale energiebron is. Dat zou wel het geval zijn indien de uitstoot die vrijkomt bij de verbranding van het hout onmiddellijk zou worden opgevangen door de weer opgroeiende planten. Maar een boom heeft veel tijd nodig om tot volle wasdom te komen. Te veel tijd om ervan uit te kunnen gaan dat hij de CO2 die vrijkomt wanneer hij verbrand wordt, al heeft ‘gecompenseerd’ op het moment dat hij wordt gekapt. Biomassa beschouwen als een milieuvriendelijke energiebron is dus eigenlijk een rekenfout. Het is dan ook contraproductief om op grote schaal te investeren in deze energievorm om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen.

Zie hier.

Kijken we zo naar biomassa dan zitten we compleet op de verkeerde weg. 60% van de hernieuwbare energie in het energieakkoord komt van biomassa en in centrales levert biomassa stoken tussen de 10 en 20% meer CO2 dan kolenstook per kWu. Een enorme hoeveelheid extra CO2 uitstoot die in de kringloop blijft omdat bomen nu eenmaal minimaal 30 tot 60 jaar nodig hebben om weer voldoende hout te produceren en zo de bij opstoken vrijgekomen CO2 weer vast te leggen.

Kijk je daarna dan is er maar een conclusie. Direct stoppen met biomassa en kijk je dan ook nog eens naar de geringe bijdrage van wind en zon, dan is de CO2-uitstoot als gevolg van het energieakkoord alleen maar toegenomen.

Terug naar het vonnis

Op basis van de informatie van Urgenda, die door de rechter kennelijk 1 op 1 is overgenomen, moeten we in 2020 25% reductie van CO2 bereiken. Ga je dat uitvoeren op de nu gebruikelijke wijze dan neemt de CO2-uitstoot alleen maar toe. Een aantal partijen in de 2e kamer is van mening dat we om 2020 te halen dan de kolencentrales maar moeten gaan sluiten. Zie ook hier.

We hebben nu 4660 MW vermogen aan kolencentrales wil je dat vermogen opwekken met windmolens dan moet je (4660 : 26,1) x 100 = 17854 MW opgesteld windvermogen hebben, uitgaande van de verdeling land/zee zoals in 2017. Het grootste windpark Gemini heeft 600 MW opgesteld vermogen. Daarbij wordt opgemerkt dat maar een deel van de centrales ook als basislast kunnen draaien, zodat die 17854 wat naar beneden moet worden bijgesteld.

Zo zie je maar wat verkeerde beeldvorming voor effect heeft. Sluiten van de kolencentrales betekent dat het licht uit gaat. In 2011 had ik een discussie met de minister over de beperkingen van het opnemen van weersafhankelijke stroom op het vraaggestuurde netwerk. En toen was er voldoende inzicht bij het ministerie dat ze toegaven dat technisch gezien de opnamecapaciteit beperkt is zie het rapport van de ombudsman.

Sluiten en stroom gaan importeren is ook geen optie dat geeft uiteindelijk extra CO2-uitstoot. Dan moet er in Duitsland nog meer bruinkoolcapaciteit bij, of we moeten van stroom van nog verder weg halen uit het oosten met nog meer CO2-uitstoot.

Kijken we vervolgens wat verder, dan blijkt ook het klimaatakkoord een grote poppenkast, waarvan de klimaatwinst in de praktijk negatief is. De plannen zoals nu in het klimaatakkoord zijn opgenomen zijn meer van hetzelfde. Doorzetten daarvan leidt tot de ineenstorting van wat eens de schoonste meest betrouwbare fossiele energievoorziening van Europa was.

Toch komt het PBL met cijfers over de reductie van CO2. Maar het zal duidelijk zijn dat die voornamelijk gebaseerd zijn op het sprookje van wat biomassa heet.

Conclusie

Het vonnis van de rechter is gebaseerd op de veronderstelling dat de CO2-uitstoot voldoende kan worden teruggedrongen met voornamelijk zon, wind en biomassa. Dat is echter onmogelijk. Nog meer miljarden verspillen aan dit beleid zal leiden tot een versnelde ondermijning van de stroomproductie in Nederland.

Print Friendly, PDF & Email