Energiebron en energiedrager Het aardgas dat wij in huis krijgen is een energiebron Energiebronnen steenkool aardolie aardgas en vallend water

Foto Shutterstock.

Een gastbijdrage van Karel Willemsen.

Energie is een populair onderwerp om over te discussiëren. Doorgaans niet gehinderd door een behoorlijke afgrenzing van het onderwerp worden er allerlei aanpalende begrippen bijgesleept. Of, en dat is minstens zo bizar, wordt als door een loep, naar een detail gekeken.

Daardoor wordt de discussie in ieder geval onzuiver.

Ik zal niet zeggen dat ik wetenschap bedrijf, maar iets wetenschappelijker mag er toch wel mee omgegaan worden.

Om te beginnen worden twee begrippen door elkaar gehaald. Energiebron en energiedrager. Het aardgas dat wij in huis krijgen is een energiebron. Een energiebron kan verder zijn steenkool, aardolie, aardgas, en ook vallend water.

De elektriciteit die wij in huis krijgen is een energiedrager. Elektriciteit wordt opgewekt door het verwerken van een energiebron. De energieleverantie door menselijke of dierlijke spierkracht laten we even buiten beschouwing.

In pers of politiek mag graag over energie gepubliceerd worden zonder te vertellen waar het nu over gaat. Als uit het verhaal niet op te maken valt of het over de motorbrandstof van onze auto’s of over het product van de centrales gaat, dan is één ding wèl duidelijk. De bedoeling is: Verwarring stichten. Als de lezer niet meer weet waar het nu eigenlijk om gaat kun je die manipuleren !

De enig belangrijke vraag is, wat zijn onze energiebronnen en zijn er voldoende. Voor wie? Hou dat begrip maar simpel. Voor de mensheid!

Voor hoelang? Ook daarop kan het antwoord simpel zijn. De uitleg van het antwoord vraagt iets meer ruimte. Eeuwig is wat erg grof.

Volgens de meest gehanteerde jaartelling zijn we zo’n 2000 jaar bezig. Ga daar voorlopig even van uit. En denk dan even niet te bekrompen over de toekomst.

Wat moet die legionair daar nu mee?

Rustig, eerst nog wat informatie. Laten we ons beperken tot de volgende energiebronnen : aardolie, steenkool, turf, kernenergie, hout en aardgas. Die volstaan om mijn verhaal rond te krijgen.

Op dit punt gekomen zou er eigenlijk een grafiek moeten zijn die weergeeft welke energiebron in welke tijd een groter of kleiner aandeel had in het bevredigen van de behoefte. Niet dat zo’n grafiek een statistisch verantwoorde weergave zou zijn.

Om achteraan te beginnen, kernenergie komt pas in de tweede helft van de twintigste eeuw in gebruik. Aardolie is sinds het boren van kolonel Drake in Pennsylvania in 1859 aan zijn enorme aandeel in de energieleverantie begonnen. Sinds het begin van de Industriële Revolutie in het midden van de achttiende eeuw stijgt de consumptie van steenkool. Na de uitvinding van de stoommachine moest de daarvoor benodigde stoom opgewekt worden. In de meeste stoomketels werd en wordt nog steeds steenkool verstookt. Waar de Industriële Revolutie een grote toename kende van het gebruik van ijzer en staal, werden ook die materialen vervaardigd en bewerkt met de hulp van steenkool.

Door de hele geschiedenis zien we een heel kleine, maar wel constante bijdrage van de energiedrager hout. Dit primitieve gebruik blijft nog lang redelijk in de pas met de aanwas.

De bijdrage van brandstoffen als turf komt eigenlijk niet boven de nullijn van de grafiek uit.

En dan nu mijn: “Sprookje van de Romeinse legionair.”

Energiebron en energiedrager Het aardgas dat wij in huis krijgen is een energiebron Energiebronnen steenkool aardolie aardgas en vallend water

Romeins badhuis, Bath, Engeland. Foto: Shutterstock.

Zo’n 2000 jaar geleden, onder de consuls en de keizers van het Romeinse rijk kon je als eenvoudig legionair nog makkelijker de (toenmalig bekende) wereld rondreizen dan tegenwoordig met Arke. Julius Collectebus was zo’n legionair. Wel van gegoede komaf. Zijn moeder, Serpentina, placht de andere deftige dames nog al eens te ontmoeten in het badhuis. Ja, de thermen. Met koude, lauwe en warme baden. Zij sprak van het frigidarium, het tepidarium en het caldarium. De verwarming geschiedde met hete lucht onder de vloer en achter de wanden. Daarvoor werd hout verstookt.

In het huidige Tunesië lag Carthago. Daar lag onze Julius ook enige tijd. Zoals gezegd, hij was van goede komaf. Hij kon lezen en schrijven.

En hij schreef een brief aan zijn moeder.

“Lieve Moeder, hier zijn onlangs nog wat schermutselingen geweest met rebelse autochtonen. De strijder naast mij, Lancius Carburatorius, liep een lelijke wond op aan de bovenarm. Ontmoeting met een roestige speer.

Dat is doorgaans goed voor een fikse infectie, wondkoorts en een schielijke dood. Zo niet Lancius. Die werd goed verpleegd door zijn Arabische vriendinnetje Faisa. Faisa weet een plaats in de woestijn waar een vreemde, dikke drab uit de grond komt. Van dat spul heeft ze een laag over de wond gelegd.

Het is niet te begrijpen, maar na enige dagen kwam een volkomen schone wond onder die prut vandaan. Het was te zien dat het al ging genezen. Geen pus, geen koorts, gewoon genezen!”

Mooie brief!

Julius wordt overgeplaatst. En de brave jongen blijft schrijven. Nieuwe standplaats: Ergens tussen Sexbierum en Noviomagum. In naam van Caesar die Germanen een beetje manieren leren.

Dat was ook hard nodig. Ruw volkje die Germanen. En zeker die in het noorden. Onze Centurion kon ze niet verstaan. Cantorius, die met dat hoge stemmetje, zei nog, als je ze niet kunt verstaan, dan zijn het friezen.

Hoe ging het overigens met Serpentina? Goed, die ligt heerlijk in bad! Ontspannen in bad liggend temidden van andere patriciërsdames leest zij de laatste brief van Lucius en slaakt plots een gilletje: “Minerva !” (Toenmalige bastaardvloek.) “Wat valt er te gillen Tina?”

Dan vertelt Serpentina wat Julius gezien heeft bij de Germanen. “Die stoken hun moer op om eten te kunnen koken! Nou jij weer!“ Bij deze uitleg gilt het hele bad. De gillen sterven weg en het sprookje is uit.

Om de betekenis van het sprookje te kunnen begrijpen moeten er een paar dingen verklaard worden.

De wonderbaarlijke genezing van Lancius schrijven wij op het conto van aardolie!! Door het afsluiten van de wond met een niet infecterend materiaal. Hoe-bedoel-u-energiebron? Faisa kende alleen de toepassing als geneesmiddel. Wij noemen het tegenwoordig aardolie.

Taalkundige verwarring was ook toen al mogelijk. De hier gebruikte term “moer” is familie van het Engelse “moor”. Een aanduiding van moeras, vochtige grond. Bij de Germanen was het ook de naam voor turf. Dat hadden ze daar voor het opscheppen. En daarmee zijn we weer terug bij de brandstoffen.

En na het begrip de moraal. De burger van goede komaf, die kan lezen en schrijven, was en is bekend met de stand van de wetenschap in zijn tijd. Onze brave Lucius kent, als het over brandstoffen gaat, voornamelijk hout. Qua energiedrager spreken we dan over een houteconomie.

Dat de minieme hoeveelheid geneesmiddel van toen, vele eeuwen later, zou leiden tot een aardolie-economie was, zelfs als futuristische theorie, niet aan hem en zijn tijdgenoten te verkopen.

De turf heeft het nooit ver geschopt. Alleen regionaal gebruikt en dan nog in betrekkelijk kleine hoeveelheden. In de grafiek blijft de turf, 2000 jaar lang, net even boven de nullijn hangen.

En dan nu, in onze tijd, met veel bombarie roepen dat de aardolie opraakt. In onze tijd. Een tijd met een enorme versnelling in de wetenschappelijke onderzoeken. En hard roepen dat we met de laatste restjes steenkool bezig zijn. En daarmee de brave burgers van nu de stuipen op het lijf jagen. Op onverantwoorde manier angst creëren. Net of wij wèl weten wat ze in de toekomst gaan stoken. De wijze waarop de komende generaties in hun energiebehoeften voorzien weten wij niet. Maar dat zij daar in zullen voorzien is zeker.

Als grapje nog even ruim honderd jaar terug. Naar 1900.

Toen schreef een Fans journalist in zijn krant: “Als het met de verkeersdrukte zo doorgaat, staat over 10 jaar, in de straten van Parijs, de paardenmest een meter hoog.” Nog een geluk dat we met auto’s verder zijn gegaan.

Conclusie: Denk eens verder dan de kalender van dit jaar. Kijk eens verder dan de provincie waarin je woont. En hoop dan niet alleen, maar vertrouw er op, dat de mensen die hier over 2000 jaar rondlopen, voldoende brandstof hebben om zich te warmen en om hun economie gaande te houden. Besef dat Julius nog niks wist van de toepassingen van aardolie en dat wij niet weten wat zij straks hebben.

Alle problemen zijn tijdgebonden. De oplossingen ook.

***