Albert Einstein.

Auteur: Brian Keating.

Vertaling: Martien de Wit.

Ik ben astrofysicus aan een grote universiteit. Wetenschap is mijn leven. Maar als ik iemand droevig hoor zeggen: “de wetenschap zegt” of “volg de wetenschap”, dan word ik erg nerveus. Wetenschap behoort niet tot een ideologie. Wetenschap is de nooit eindigende zoektocht naar nieuwe kennis.

Dat is trouwens wat wetenschap in het Latijn betekent: kennis. Niet wijsheid. Niet moraal. Niet sociaal beleid. Kennis. Wat we met die kennis doen is waar wijsheid, moraal, en sociaal beleid in beeld komen.

Kennis, zo blijkt, is niet zo gemakkelijk te verkrijgen. En soms blijkt wat we zeker denken te weten (de aarde lijkt echt wel plat als we erop staan) toch niet zo zeker te zijn. Natuurlijk heb ik vertrouwen in fundamentele wetenschappelijke waarheden – in verschijnselen waarvoor een overweldigend bewijs bestaat, zoals de zwaartekracht; en zelfs dat de mens een rol speelt bij de opwarming van de aarde.

Maar wetenschappers, zelfs de besten, kunnen het mis hebben.

 

De briljante astrofysicus Sir Fred Hoyle geloofde dat het heelal eeuwig in een stabiele toestand verkeerde en geen begin had. Maar zijn visie, ooit heilig verklaard door alle astrofysici, houdt niet langer stand. Die visie is verdrongen door de Big Bang theorie: het heelal had een begin en dijt nog steeds uit.

In de 20e eeuw geloofden enkele van de meest gerespecteerde wetenschappers ter wereld, waaronder Nobelprijswinnaars, in eugenetica – het verwerpelijke idee dat het menselijk ras verbeterd kon worden door selectieve voortplantingsprogramma’s. De National Academy of
Sciences, de American Medical Association en de Rockefeller Foundation steunden het. Tegen het midden van de eeuw was dit grondig verworpen als kwakzalverij. Geen gerenommeerde wetenschapper zou nog iets met dit idee te maken willen hebben.

We moeten dus allemaal af van het idee dat, alleen maar omdat iemand – of dat nu een politicus, een bureaucraat of zelfs een wetenschapper is – de uitdrukking “de wetenschap zegt” gebruikt, dat wat hij ook zegt juist is. Het zou juist kunnen zijn. Maar het kan ook verkeerd zijn. En als het verkeerd is, hoeft er niet noodzakelijk een aantal wetenschappers te zijn allemaal die zeggen dat het verkeerd is. Het kan ook één enkele persoon zijn.

Vraag Einstein. Honderd wetenschappers schreven een boek waarin ze uitlegden waarom zijn relativiteitstheorie fout was. Hij grapte:

“Als ik het mis had, dan zou één genoeg zijn geweest.”

Er is heel wat voor nodig om wetenschappers ervan te overtuigen een nieuwe theorie te aanvaarden, vooral als die nieuwe theorie weerlegt wat zij altijd hebben geloofd – in sommige gevallen datgene waar zij hun hele carrière aan hebben gewijd. Zoals de beroemde uitspraak van
Richard Feynman, een van de meest eminente natuurkundigen van de 20ste eeuw:

“Wetenschap is het geloof in de onwetendheid van experts…”

Wat Feynman wil zeggen is dat een goede wetenschapper altijd een gezonde hoeveelheid scepsis moet behouden. Wetenschap is, door zijn
aard, voorlopig. De wetenschap zou stagneren als we alleen maar uitspraken van autoriteiten uit het verleden zouden accepteren. Dus hoe kunnen we goede wetenschap bedrijven? Dit is geen nieuwe vraag. Sinds de 17e eeuw hebben wetenschappers de zogenaamde wetenschappelijke methode gebruikt om hun werk te leiden. Het is zeker geen perfecte gids, maar hij is wel verdomd goed.

De methode houdt in:

1. Het formuleren van een theorie.
2. Het voorspellen van het bewijs dat gevonden moet worden als de theorie waar is.
3. Verzamelen van gegevens.
4. Analyseren van de gegevens.
5. Het verfijnen van de theorie en het voorleggen van het bewijs aan andere deskundigen.

De filosoof Karl Popper voegde nog een item aan deze lijst toe. Popper zei dat een onderwerp wetenschappelijk is als (en ook alleen maar als) het kan worden gefalsifieerd. Met andere woorden: als je theorie niet weerlegd kan worden – als niet bewezen kan worden dat hij fout is – is het waarschijnlijk geen goede wetenschap.

Dit is slechts één reden waarom we voorzichtig moeten zijn met het vertrouwen stellen in ‘modellen’. Ze kunnen vaak niet beproefd worden. Modellen zijn voorspellingen van de toekomst op basis van actuele gegevens. Zij kunnen er heel gemakkelijk naast zitten.

Ten eerste is de toekomst (voor het geval u dat nog niet had opgemerkt) zeer moeilijk te voorspellen. En hoe verder je in de toekomst kijkt, hoe minder zeker de voorspelling is.

Ten tweede kunnen de gegevens onvolledig of zelfs onjuist zijn. Het ligt in de aard van de mens om definitieve antwoorden te willen. Maar de wetenschap kan die niet altijd geven. Bovendien houdt de wetenschap zich niet bezig met mode, autoriteit of de mening van de meerderheid. ‘Zaak gesloten’ is geen wetenschappelijke uitdrukking.

Wetenschap is nooit af of ‘voltooid’. Als het na Newton gesloten was, had je nooit Einstein gehad. Wetenschap moet in de eerste plaats en altijd gaan over het nastreven van meer kennis – niet over het bevorderen van een sociale agenda, hoe nobel die ook moge zijn.

Wetenschap heeft geen politieke partij.

Natuurlijk moeten politici de best beschikbare wetenschap gebruiken om hen te helpen weloverwogen beslissingen te nemen. Maar vergeet niet dat wetenschappelijke kennis niet hetzelfde is als wijsheid. Zoals het gezegde luidt: Kennis is weten dat een tomaat een vrucht is. Wijsheid is weten dat je ze niet in een fruitsalade moet doen.

Dus laten we blijven kijken naar de wetenschap voor het vergaren van kennis – kennis die we kunnen gebruiken om de wereld te verbeteren. Maar laten we onszelf niet wijsmaken dat ‘de wetenschap’ alle antwoorden heeft op al onze problemen. Dat is niet zo.

Dit is een klein beetje wijsheid dat deze wetenschapper u kan geven.

***