Foto: Shutterstock.

Door Gerard d’Olivat.

We leven in een tijd waarin het dogma van “groene elektrificatie” zich heeft opgewerkt tot de enige denkbare route naar een houdbare toekomst. Zon en wind, batterijen en netten: het zijn de iconen van een samenleving die zichzelf meent te kunnen vernieuwen zonder de fundamenten van haar bestaan echt te onderzoeken. Maar onder de glanzende oppervlakken van beleidsrapporten, klimaattafels en kabelleggers tekent zich een pijnlijke realiteit af: de elektrificatie die ons zou moeten redden, jaagt ons regelrecht een systeemcrisis in.

De kern van het probleem is eenvoudig: we bouwen een tweede energiesysteem bovenop het oude, zonder dat het oude echt afgebouwd wordt. De groene infrastructuur vraagt niet minder, maar meer: meer grondstoffen, meer netcapaciteit, meer opslag, meer regulering. En dat alles tegen prijzen die bij volledige systeemkosten oplopen tot €250 tot €500 per MWh. Dat is vijf tot tien keer duurder dan het klassieke fossiele alternatief. De groene stroom is dus niet gratis, maar komt met een sluimerende schuldenlast en een structurele verarming van productiecapaciteit.

In plaats van af te slanken, blazen we het systeem op. Windparken op zee vragen miljarden aan kabels en convertorstations. Zonneparken creëren overproductie op momenten dat niemand het nodig heeft. Batterijen moeten gaten vullen in plaats van marges geven. En de netten, ontworpen voor centrale eenrichtingsverkeer, raken verstopt door decentrale tweerichtingschaos. Netcongestie wordt geen incident, maar het nieuwe normaal.

Daar komt bij dat de grootste gebruikers van toekomstige stroom — de techreuzen van AI en datacenters — zich al lang ontworsteld hebben aan dit systeem. Ze bouwen hun hyperscales in landen met goedkope energie, regelen hun eigen infrastructuur, sluiten PPA’s af voor boekhoudkundige duurzaamheid, en laten de rest van de samenleving achter met de rekening. Zij betalen geen €350 per MWh, omdat ze het zich kunnen veroorloven.

De illusie van universele elektrificatie houdt geen rekening met macht, mobiliteit en marktwerking. Energie is niet alleen een technische voorziening, maar een machtsmiddel. En in een wereld waarin energie schaars, duur en strategisch wordt, zullen de spelers met kapitaal en flexibiliteit altijd winnen van de rest.

De samenleving daarentegen zit vast. Huishoudens kunnen niet verhuizen. Ziekenhuizen kunnen hun stroom niet outsourcen. Lokale bedrijven kunnen geen privaat net aanleggen. Wat overblijft is een fragiele, gesegmenteerde energierealiteit waarin de ene helft van de bevolking stroom in overvloed heeft, en de andere helft wacht op een aansluiting die nooit komt.

De werkelijke electrocutie voltrekt zich niet op het niveau van de kilowatt, maar op dat van de cohesie. De energietransitie, ooit bedoeld als collectieve stap voorwaarts, ia verworden tot een verdeelmachine. Een systeem waarin stroom niet alleen ongelijk verdeeld is, maar ook ongelijk gefinancierd, ingericht en verzekerd. En dat alles in naam van duurzaamheid.

Tijd om de stekker er voorgoed uit te trekken. Niet uit de infrastructuur, maar uit het narratief. Zodat we opnieuw kunnen nadenken over wat een houdbare samenleving eigenlijk vraagt. En of elektro shocktherapie daar wel echt bij past.

De mythe van CO2-reductie en de ‘Net Zero‘ waanzin

Naast de technische en financiële kramp van de elektrificatie is er een tweede laag die de transitie ondermijnt: de aanname dat deze hele operatie tot aanzienlijke en blijvende CO2-reductie leidt. Het is een comfortabele gedachte, gevoed door dashboards, targets en boekhoudkundige trucs. Maar zodra je de volledige keten overziet — van mijnbouw tot recycling, van netverzwaring tot batterijvervanging — vervliegt het narratief van emissievrije energie in een nevel van verborgen uitstoot.

De zogenaamde “hernieuwbare” infrastructuur vergt enorme hoeveelheden fossiele energie in de bouwfase. Zonnepanelen worden gemaakt in kolengestookte fabrieken, windturbines bestaan uit staal, koper en composieten, batterijen zijn afhankelijk van een geopolitiek risicovolle mix van metalen. De extractie, raffinage, logistiek en productie brengen elk miljoenen tonnen CO2 met zich mee. En dat nog zonder de verliezen door opslag, curtailment en inefficiënte benutting.

Volgens ruwe LCA-berekeningen komt een realistisch opgebouwd hernieuwbaar energiesysteem inclusief opslag en netaanpassing uit op 70 tot 140 kilogram CO2 per geproduceerde MWh. Ter vergelijking: een moderne gascentrale zit tussen 400 en 500 kg. De reductie is dus reëel, maar verre van nul. En bij grootschalige uitrol stijgen de verliezen en emissies exponentieel mee.

Om dit in financiële termen uit te drukken: als het hernieuwbare systeem een netto-emissiereductie van pakweg 300 kg CO₂ per MWh realiseert (ten opzichte van gascentrales), maar de volledige systeemkosten uitkomen op €300 per MWh, dan betaalt de samenleving ongeveer €1.000 per vermeden ton CO₂. Ter vergelijking: CO₂-afvang bij industriële installaties kan tussen de €50 en €100 per ton kosten. Dat betekent dat de ‘hernieuwbare route’ in veel gevallen tien tot twintig keer duurder is dan technische mitigatie-opties met bewezen effectiviteit.

Deze verhouding wordt zelden benoemd, maar is maatschappelijk explosief. De berekende prijs van energie stijgt tot zo’n hoogte dat er niet meer alleen sprake zal zijn van energiearmoede voor huishoudens, maar van een structurele aantasting van het economische draagvlak van hele sectoren. Industriële productie wordt onrendabel, logistieke ketens breken, dienstverlening krimpt. Dit is geen toekomstbeeld maar een sluipende realiteit in wording. Wanneer basale energie-inputs niet langer betaalbaar of voorspelbaar zijn, volgt onvermijdelijk de desintegratie van het industrieel systeem zelf — en met haar ook de eraan gekoppelde diensten, zorg, onderwijs en voedselvoorziening.

Dat is een economische realiteit die telkens ontkent wordt  ogen beter weten in. Het maakt namelijk dat het ‘ideologisch narratief fundament van de transitie implodeert: het verhaal van duurzaamheid wordt peperduur verkocht als ‘verantwoordelijk , terwijl de werkelijke reductie beperkt en kostbaar is en de hele economie zal laten instorten. En dan hebben we het nog niet eens gehad over wat er gebeurt bij ‘opschaling’.

Want juist daar bevindt zich de olifant in de kamer waar beleidsmakers, consultants en opiniemakers zorgvuldig omheen schaatsen alsof het een wak betreft. Opschaling wordt nog steeds gepresenteerd als de weg naar efficiency en kostenreductie, terwijl het in werkelijkheid precies het tegenovergestelde bewerkstelligt: schaalvergroting leidt tot exponentiële infrastructuurverzwaring, verdubbeling van grondstofvraag, stijgende technische verliezen en complexiteitskosten die niet meer lineair zijn. Elk toegevoegd procent ‘hernieuwbaar’ vraagt meer netcapaciteit, meer opslag, meer regelvermogen — tegen steeds hogere marges van onzekerheid en verstoring.

Bovendien botsen opschaling en leveringszekerheid frontaal met elkaar. Hoe meer we inzetten op fluctuerende bronnen, hoe groter het volume aan redundantie en ‘overcapaciteit’ dat moet worden aangelegd om diezelfde volatiliteit te compenseren. Die redundantie kost niet alleen geld, maar introduceert ook systeemrisico’s: van black-outs tot materiaaltekorten, van congestieschade tot politieke frictie over ruimtegebruik.

Wat bij opschaling werkelijk toeneemt is niet de efficiëntie, maar de entropie. En daarmee de economische en maatschappelijke destabilisatie. We maken een systeem dat steeds meer kost om steeds minder zekerheid te leveren — een recept voor structurele instabiliteit die geen correctie meer kent, omdat het zichzelf permanent moet uitbreiden om niet stil te vallen.

Bij opschaling stijgt niet alleen de prijs, maar daalt ook het rendement per vermeden ton. Zo ontstaat een situatie waarin we miljarden investeren voor minimale impact.

Daar komt nog iets bij: de werkelijke drijfveer achter veel Net Zero-strategieën is niet fysieke emissiereductie, maar juridische en boekhoudkundige neutraliteit. CO2-certificaten, offsets, guarantees of origin — het zijn geen emissies, maar papieren transacties die worden gebruikt om doelstellingen te halen zonder reële veranderingen af te dwingen. De ‘Net’ in Net Zero staat dan ook vooral voor netto-gemanipuleerd.

De waanzin zit in de miskenning van de schaal: een mondiale energievraag die nog steeds groeit, een materialenketen die kraakt, en een biosfeer die geen boodschap heeft aan administratieve neutraliteit. Wie denkt dat CO2 uit de lucht kan worden gerekend, zal ontdekken dat moleculen zich niets aantrekken van spreadsheets. Maar het narratief moet koste wat kost overeind blijven.

En dus blijven we het Net Zero-bordspel spelen — met hoge inzet, lage transparantie en een klimaat dat er geen gram lichter van wordt. Met als eind resultaat de totale economische ineenstorting van individuele huishoudens tot industrie

Nederland Net Zero – Een visueel vergezicht als fata morgana

Op dit moment staat Nederland al tot aan de horizon volgebouwd met zonneweides, windparken, transformatorhuisjes, verdeelstations en hoogspanningsmasten. Toch wordt, volgens recente cijfers, nog maar rond de 30–35% van de elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare bronnen. En elektriciteit zelf is slechts 20–25% van het totale energieverbruik in Nederland. Dat betekent dat we ondanks de enorme ruimtelijke, materiële en financiële investering nog geen 10% van de totale energievoorziening ‘hernieuwbaar’ dekken.

Wat gebeurt er als we dit proberen op te schalen naar 100% Net Zero?

  • Elk windpark vermenigvuldigt zich met een factor 5 tot 10

  • Elke zonneweide moet verdrievoudigen, inclusief achterliggende batterijen

  • Het net moet volledig herbouwd en verzwaard worden, met duizenden kilometers extra kabels

  • Elke piek moet worden opgevangen door redundante opslag of back-upcentrales

  • Ruimte, grondstoffen en draagvlak raken structureel op

Gerard d’Olivat.

Het vergezicht heet dan wel ‘Nederland Net Zero‘, maar het beeld is dat van een technocratisch overbelast landschap vol knipperende controlelampjes, wapperende kabels, en een bevolking die zich afvraagt waarom de stroom ’s zomers gratis is en ’s winters uitvalt.

Net Zero is geen horizon, maar een fata morgana: hoe dichterbij je komt, hoe verder hij verschuift – en hoe zwaarder de rugzak wordt die je moet dragen om hem te bereiken.

***