Demetris Koutsoyiannis,

of: heeft Koutsoyiannis het bij het verkeerde eind?

Door Dirk Visser.

Inleiding

Binnen het wetenschappelijk debat over klimaatverandering nemen de publicaties van de Griekse hydroloog Demetris Koutsoyiannis (verder aangeduid aan met K) een unieke positie in. Als emeritus hoogleraar met een indrukwekkende staat van dienst binnen de stochastische hydrologie geniet hij veel aanzien binnen zijn eigen vakgebied. In zijn recente artikelen over de mondiale koolstofcyclus trekt hij echter conclusies die lijnrecht staan tegenover brede wetenschappelijke inzichten.

Volgens K is de recente stijgende temperatuur op Aarde de primaire oorzaak van de stijgende CO₂-concentratie in de atmosfeer. Niet het gevolg.

Hij stelt dat de toenemende hoeveelheid CO₂ grotendeels afkomstig is uit natuurlijke bronnen zoals een actievere biosfeer en oceanen. Door de hogere temperatuur komt CO₂ vrij.

Zijn wiskundige modellen lijken op het eerste gezicht consistent. Daaruit trekt hij echter conclusies die geen stand houden in de fysische werkelijkheid. Deze analyse geeft een beknopt overzicht van diverse aanmerkingen en zijn repliek daarop.

1. De stijging van CO₂ in de atmosfeer

Er komen drie isotopen van koolstof in de natuur voor. Ongeveer 99% van de hoeveelheid koolstof is ¹²C, ongeveer 1% is ¹³C en een zeer klein gedeelte is ¹⁴C.

¹⁴C is een radioactief element, halfwaardetijd 5730 jaar. ¹⁴C wordt voortdurend hoog in de atmosfeer gevormd door kosmische straling.

Het viel Hans Suess op dat er een opmerkelijke daling van de verhouding [¹⁴C]/[¹²C] in de atmosfeer optrad. De verklaring was: de uitstoot van CO₂ afkomstig van het gebruik van fossiele brandstoffen, FF, verlaagde deze verhouding. FF bevatten geen ¹⁴C. Deze verlaging van [¹⁴C] ten opzichte van [¹²C] is het originele Suesseffect. Die CO₂ kan niet uit de biosfeer gekomen zijn, dat bevat C met vrijwel hetzelfde ¹⁴C gehalte als de atmosfeer, de ¹⁴C daarin is nog niet vervallen. De atoombomproeven verdubbelden in korte tijd [¹⁴C]. Deze methode om  CO₂ afkomstig van FF aan te tonen werd vrijwel onbruikbaar.

K: geen commentaar gevonden.

De verhouding ¹³C /¹²C wordt vermeldt ten opzichte van een zekere standaard en wordt uitgedrukt in δ¹³C, notatie is in promille. FF  hebben een lage  δ¹³C.  Daardoor is [δ¹³C] in de atmosfeer gedaald.

Volgens K heeft de biosfeer een nog lagere δ¹³C dan FF. In dit artikel (1) geeft hij de waarden voor FF en de biosfeer van resp. -26 en -34 promille. Dan zou [δ¹³C] in de atmosfeer (ook) dalen als er CO₂ vanuit de biosfeer bij komt.

Ik heb nagegaan wat de gebruikelijke waarden zijn en kom tot de volgende gewogen gemiddelden (voor de volumes van de productie van steenkool, aardolie en aardgas heb ik recente gegevens gebruikt) van resp. -31 en -24 promille. Voor de volumes van C3 (-27 promille) en C4 planten (-13 promille) heb ik niet hun biomassaverhoudingen gebruikt (van resp 0.95 tegenover 0.05). In plaats daarvan gebruikte ik hun bijdrage aan de fotosynthese (resp. 0.77 tegenover 0.22, de geringe bijdrage van CAMplanten heb ik buiten beschouwing gelaten). De bewering dat de biosfeer een ‘much lower’ δ¹³C heeft dan FF lijkt me overdreven.

image3.png
Figuur 1.

Volgens K is het absurd te suggereren dat de daling van δ¹³C (de afgelopen 100 jaar van -7 naar -9 promille) door fossiele brandstoffen komt (zie bovenstaande afbeelding, uit (1)), hij zegt dat van de jaarlijkse uitstoot van CO₂ slechts 4% afkomstig van het gebruik van FF.

Hier ga ik later uitgebreid op in. Nu volsta ik met op te merken dat hij twee zaken door elkaar haalt. Die 4% klopt inderdaad, maar die 4% is een steeds voortdurende toevoeging. Er vindt een ophoping plaats terwijl de grote achtergrondfluxen CO₂ uitwisselen. In die uitwisseling was evenwicht totdat antropogeen CO₂ werd toegevoegd.

Niettemin beweert K dat de extra CO₂ in de atmosfeer veroorzaakt is door de stijging van de temperatuur, de biosfeer wordt actiever en de oceanen verliezen opgelost CO₂ door uitgassing.

Wat betreft een actievere biosfeer: dat is zeer goed mogelijk. Maar dan het lijkt me dat zowel de in- als de uitgaande flux groter wordt en dat de omvang van de biosfeer toeneemt. Het eerste verandert δ¹³C niet, het tweede verlaagt het.

Wat betreft de oceanen: de oceanen hebben een δ¹³C van +1 à +2 promille, CO₂ uit de oceanen zou de daling in de atmosfeer tegenwerken.

Verder daalt de pH van zeewater, de daling is van 8.2 naar 8.1. Dat wijst juist op opname van CO₂ en dus juist geen netto uitgassing.

Ook is er het klassieke massa-balans argument: de gangbare zienswijze is dat van de totale antropogene uitstoot van CO₂ ongeveer de helft in de atmosfeer zit en de andere helft opgenomen is door biosfeer en oceanen.

De stelling van K is: de antropogene uitstoot doet er nauwelijks toe, die wordt snel uitgewisseld, de extra CO₂ is (voornamelijk) afkomstig van een actievere biosfeer.

1c. Het gedrag van δ¹³C in het verleden.

Hoe reageerde de atmosfeer in het verleden op temperatuurstijging?

Bij de overgang naar het Eemien en naar het huidige Holoceen, komende uit het voorafgaande glaciaal, steeg de temperatuur met ongeveer 5 graden. In die zelfde periode steeg δ¹³C juist (Arno Kleber). Dat is volkomen in tegenspraak met K.

Mogelijke verklaring: zeewater heeft een hogere δ¹³C dan de atmosfeer en gast uit bij hogere temperatuur. Door de hogere temperatuur toegenomen fotosynthese neemt de biosfeer ¹³C-arm CO₂ op.

K: hij omzeilt dit argument. Hij wijst selectief naar perioden na het Eemien waarin hij zijn gelijk meent te zien.

2. Dalende [O₂] in de atmosfeer.

[O₂] daalt in de atmosfeer. Sinds enkele decennia is het mogelijk om [O₂] zeer nauwkeurig te meten. [O₂] wordt meestal weergegeven in per meg van de verhouding O₂ /N₂  ten opzichte van een zekere standaard, 4.8 per meg komt overeen met 1 ppm.

De bruto gewogen formule voor fossiele brandstoffen is vrijwel gelijk aan CH₂ (steenkool CH, aardolie CH₂ aardgas CH4 met gewichten van resp. 14, 11, 8). Voor het verbranden van 1 molecule ‘CH₂’ is 1.5 molecule O₂ nodig.

Hier zijn de geschatte fluxen in ppm per jaar (‘cement’ staat voor cementproductie):

CO₂     

O₂

FF

4.6

-6.9

Cement

0.4

Biosfeer

-1.2

1,2

Oceanen

-1,2

0.3

2.6

-5.4

Dat komt goed overeen met het onderstaande plaatje (Mauna Loa data). De verhouding in ppm is als 1 : -2, en in ppm staat tot per meg als 1 : -10. De toename van CO₂ loopt perfect in de pas met de afname van O₂. Er is niets dat er op wijst dat antropogeen CO₂ snel verdwijnt en plaats heeft gemaakt voor CO₂ uit de biosfeer. In dat geval zou het in de pas lopen toch verstoord moeten zijn.

Figuur 2

Deelconclusie: het verloop van [CO₂] en [O₂] laat weinig ruimte voor de theorie van K.

3. De causaliteitsstudie van K

De artikelen van K hierover zijn uitgebreid besproken, o.a. door Leif Åsbrink.

K toont aan dat op tijdschalen variërend van miljoenen tot tientallen jaren geldt dat [CO₂] altijd de temperatuur (T) volgt. Analyse van ijskerndata (tot 800 000 jaar terug) zijn daarmee in overeenstemming. K berekent uit de data de impuls respons functie (IRF), dit is een uitdrukking die beschrijft hoe een systeem reageert op een plotselinge eenmalige impuls.

Hij vermeldt niet hoe groot de amplitude is van die respons. Uit de data valt dat direct op te maken: 16 ppm/K (de K staat voor Kelvin, het interval van 1 K is gelijk aan dat van 1 graad Celsius). Deze waarde komt overeen de temperatuurafhankelijke oplosbaarheid van CO₂ in (zee)water.

Laboratoriummetingen en metingen aan zeewatermonsters (Takahashi) tonen: 4.23%/K. Bij 400 ppm resulteert de waarde van 17 ppm/K.

Voor de periode met instrumentele data, de laatste ~50 jaar, neemt K differenties van de data (zodat de jaarlijkse cyclus maar ook de achtergrondstijging verdwijnt) en schrapt hij perioden met negatieve correlatie.

Hij komt dan uit op een respons van [CO₂] op de temperatuur (T) met een responstijd van 7 maanden. Deze analyse bevat kortdurende fluctuaties (in de orde van enkele jaren). Deze fluctuaties zijn bekend en zijn het gevolg van temperatuurschommelingen voornamelijk veroorzaakt door de ENSO (El Niño Southern Oscillation). Het effect is dat bij hogere temperatuur de decompositie (natuurbranden inbegrepen) van plantaardig materiaal sneller gaat. Ook het oceaanoppervlak speelt mee maar de responstijd daarvan is lang. Hij verzuimt wederom de amplitude van die respons te vermelden.

De data lenen zich goed om beschreven te worden door een eenvoudig analytisch model (2). Daaruit blijkt een responstijd van 1 jaar, amplitude 6.6 ppm/K.

K geeft geen amplitude voor zijn gevonden causaliteit maar blijft beweren dat [CO₂] altijd de temperatuur volgt. Hij concludeert dus dat ook de stijging van 280 naar nu 430 ppm het gevolg is van een temperatuurstijging van nu ~1 graad C.

Met de door mij genoemde getallen kom ik niet boven 10 ppm extra uit, een enorm verschil met de 150 ppm extra van K.

Wat betreft T en [CO₂] in de afgelopen ~50 jaar (kortdurende fluctuaties zijn verwijderd): beide zijn monotoon stijgend en zijn daardoor ongeschikt om causaliteit aan de tonen, in welke richting dan ook.

In (3) geeft K antwoord op een reactie van Michel Thizon (die ook niet verder komt dan een respons van 10 ppm). Het gaat om figuur 3, het toont ijskerndata van T en [CO₂]. K zegt dat het niet geoorloofd is om hieruit conclusies te trekken: de schijnbare overkomst is misleidend, er kunnen stochatische processen een rol spelen, diffusie in de ijskernen heeft het signaal aangetast.

Ik kan hem daarin niet volgen. Ik zie een eenvoudig verband: 8 ppm/K. De temperatuur is voor Antarctica, de wereldgemiddelde temperatuur varieert met ongeveer de helft. Daarvoor corrigerend kom ik uit op de eerder genoemde 16 ppm/K.

image0.png

Figuur 3.

Enige opmerkingen over fotosynthese

In de wereldgemiddelde  jaarlijkse cyclus volgt [CO₂] ook de temperatuur maar met een sterke daling en overtreft dus de decompositie.

In juli is de temperatuur het hoogst, [CO₂] reageert daarop met een tempo van -12 ppm per jaar.

Het is goed voorstelbaar dat veranderingen in de fotosynthese ook op langere tijdschalen een rol spelen.

Als K echter deze anti-correlatie tegenkomt in de data verwijdert hij dat, hij beschouwt dat als foutieve metingen.

Er is een controverse over het temperatuurverloop in de laatste 10 000 jaar.

Modelberekeningen geven een stijging van de temperatuur, data uit diverse proxymethoden geven een daling aan, vooral op het noordelijk halfrond. Die daling ging door tot aan de LIA (Little Ice Age).

Deze controverse staat bekend als het Holocene Temperature Conundrum. De temperatuur daalde terwijl [CO₂] steeg van 260 van 280 ppm.

Dit zou goed verklaard kunnen worden door een geringe afname van fotosynthese.

Als het faseverschil tussen T en [CO₂] 90 graden zou zijn dan zou bij constante T van 1 graad hoger [CO₂] stijgen met 6.3 ppm per jaar en daarmee de visie van K ondersteunen. De faseverschuiving is echter ~60 graden, bij T van 1 graad hoger stelt zich een 6.6 ppm hogere waarde van [CO₂] in.

4. Het 4% argument en 4 jaar verblijftijd in de atmosfeer 

De antropogene uitstoot is nu 4% van de totale uitwisseling van CO₂ in de atmosfeer. Iedereen is het daar mee eens. Voordat er FF gebruikt werden was er evenwicht, de in- en uitgaande fluxen waren gelijk.  Die uitwisseling is groot, een individueel CO₂ molecule, ongeacht zijn oorsprong, verblijft gemiddeld 4 jaar in de atmosfeer. 

Dat wil niet zeggen dat de extra CO₂ afkomstig van gebruik van FF ook op die tijdschaal afneemt. In het kort: uitwisseling gebeurt aan een oppervlak. Bij het herstellen van evenwicht is het gehele volume van de oceanen en biosfeer betrokken, dat gaat veel langzamer. De verblijftijd van extra CO₂ is effectief nu 50 jaar, daarover later meer.

Door uitwisseling aan het oppervlak daalt de extra CO₂ nauwelijks, het moet afgevoerd worden naar de diepere lagen en dat gaat trager.

Een aanwijzing daarvoor is de verblijftijd van de ¹⁴C-isotoop van koolstof afkomstig van atoombom-tests. Door die tests verdubbelde in korte tijd [¹⁴C] in de atmosfeer, de tests stopten abrupt. Deze ¹⁴C-piek toont een afname waaruit een verblijftijd van gemiddeld 14 jaar volgt. Dat is beduidend langer dan de eerder genoemde 4 jaar. De verklaring is dat een groot deel van de opgenomen CO₂ na korte tijd terug komt, bijvoorbeeld in de cyclus van eenjarige planten.

Over de verblijftijd van extra CO₂

De oceanen bevatten ~40 000 GtC aan ‘dissolved inorganic carbon’ (DIC). Ongeveer 0.5% daarvan is CO₂, de rest is carbonaat (10%) en bicarbonaat (89%). In zeewater opgelost ¹⁴CO₂ wisselt uit met het grote reservoir van ¹²C van bicarbonaat, de isotopische verdunning. Die verdunning geldt niet voor extra CO₂, uitwisseling verlaagt wel ¹⁴C maar niet ¹²C. Dan moet voor het herstellen van evenwicht, door de netto opname van CO₂, een nog langere tijdschaal gelden: de genoemde 50 jaar.

De afleiding van deze waarde is zeer eenvoudig: de evenwichtswaarde van [CO₂] wordt geschat op ~290 ppm. De huidige waarde is nu 430 ppm, dan is er een overschot van 140 ppm. De snelheid van opname van dit overschot gaat met 2.5-3 ppm per jaar. Dan volgt direct een gemiddelde verblijftijd van 56-47 jaar. 

Deelconclusie: De verblijftijd van extra CO₂ is in werkelijkheid veel langer dan de periode waar M vanuit gaat.

5. Over het Bernmodel. 

Het Bernmodel is een IRF (IRFB) die de mate van afname in de atmosfeer beschrijft van op een enkel tijdstip toegevoegde hoeveelheid CO₂ (een δ-piek in de emissie). De IRFB bevat 3 tijdschalen van afname plus een term voor de fractie die in de atmosfeer blijft.

K heeft hierover een uitgesproken mening, hij vindt het een ‘weird idea’  dat antropogeen CO₂ zich anders gedraagt dan CO₂ uit natuurlijke bron.

Hier haalt hij zaken door elkaar, niet antropogeen CO₂ gedraagt zich anders maar wel extra CO₂. Die extra CO₂ heeft zijn bron in het gebruik van FF.

Voor K geldt er slechts één tijdschaal: die van 4 jaar voor uitwisseling.

Omdat het Bernmodel 3 tijdschalen heeft kun je niet spreken over een enkele verblijftijd. De IRF van het Bernmodel beschrijft een aanvankelijke snelle daling die in de loop der tijd steeds trager wordt, uiteindelijk resteert er 15.2%. K noemt dit gedrag ‘intentionally vague IPCC terminology’.

K heeft naar mijn mening een overgesimplificeerd beeld van de CO₂-opname. Zijn vaste waarde van 4 jaar impliceert dat de atmosfeer uitwisselt met één enkel ander reservoir dat oneindig groot is en zeer goed gemengd is. Dit is moeilijk voorstelbaar. Er zijn minstens twee reservoirs aan te wijzen: de oceanen, en de biosfeer. Uit onderzoek blijkt dat momenteel elk ongeveer een kwart van de hoeveelheid antropogeen CO₂ opneemt, de overige helft blijft in de atmosfeer.

Over de grootte van de reservoirs, uitgedrukt in de hoeveelheid gigaton koolstof (GtC) die ze bevatten: atmosfeer 900, biosfeer 600, oceanen 40 000.

De oceanen lijken een groot reservoir maar C komt voornamelijk voor als (bi)carbonaat, CO₂ is slechts 0.5%. Een groot deel van het oceaanoppervlak is (over)verzadigd met bicarbonaat en biedt daardoor grote weerstand tegen opname van extra CO₂. De opslagcapaciteit is daardoor een factor ~10 minder: de Revellefactor.

Ik introduceer nu summier een eenvoudig analytisch model

Het is een systeem met de 3 reservoirs: atmosfeer, biosfeer, oceanen (grootte-verhoudingen 1:1:5). De analytische uitwerking resulteert in een IRF met twee tijdschalen en een restterm. De restterm is 1/7, toetsing aan de data geeft voor de tijdschalen 28 en 141 jaar. Ik ga daar binnenkort in een ander artikel uitgebreid op in (titel: Over het Bernmodel).

Het Bernmodel heeft een reservoir extra: het splitst de oceanen op in een goed gemengde bovenlaag en een trager reagerende diepe laag. Dit extra reservoir vangt iets van het bezwaar op dat de oceanen niet goed gemengd zijn. Door het toevoegen van meer reservoirs (de atmosfeer opdelen in troposfeer en stratosfeer, aan elke oceaan twee reservoirs toekennen) krijgt je een betere beschrijving. Het probleem is dat een model met een groot aantal reservoirs nauwelijks getest kan worden. Voor elk toegevoegd reservoir komt een tijdschaal bij.

Deelconclusie: K gaat uit van één enkele tijdschaal voor de uitwisseling van 4 jaar. Dit lijkt een oversimplificatie.

5.1 Over de discrepantie tussen de effectieve afnametijdschaal van momenteel 50 jaar en de drie tijdschalen van het Bernmodel.

Die verblijftijd van ~50 jaar is de afgelopen jaren weinig verandert en lijkt een betrouwbare waarde, de opneemreservoirs lijken oneindig groot. Deze waarde steekt schril af tegenover de 3 verblijftijden van de IRFB (171, 18.0 en 2.57 jaar) en de restterm.

Deze discrepantie is slechts schijn. We passen de IRFB toe op het huidige verloop van de antropogene CO₂-uitstoot. Die uitstoot nam tot op heden exponentieel toe met ~2% per jaar. De laatste jaren vlakt die mate van toename iets af. Mathematisch kun je dit goed benaderen door de convolutie te nemen van een exponentieel toenemende functie (UIT) met de IRFB. De integraal is over UIT(t-s) * IRFB(s), s loopt van 0 naar oneindig. De tijdsafhankelijke functie UIT(t) valt buiten de integraal. De overblijvende integraal is een constante die gerelateerd is aan de tijdschalen van IRFB (en de 2% stijging per jaar). Dan is de verhouding van in de atmosfeer achterblijvende en totale antropogene uitstoot ook een constante, de functie UIT valt weg.

Met een waarde van 2% stijging per jaar is de berekende constante verhouding: 0.44. Dit komt uitstekend overeen met de geschatte percentages van 25 en 30% die resp. de biosfeer en de oceanen opnemen (en 45% in de atmosfeer blijft). Dit is geen toevalligheid, het IRFB is waarschijnlijk hierop afgestemd. Pas als de uitstoot sterk gaat afwijken van dat exponentiële verloop kan de IRFB verder getest worden, dat zal nog enige jaren duren.

Deelconclusie: De tot op heden schijnbaar constante verblijftijd van ~50 jaar is niet in tegenspraak met de 3 tijdschalen van het Bernmodel.

6. Stralingsverstoring door CO₂.

Om te voorkomen dat de absorptie-emissie-eigenschappen van CO₂ de temperatuurverhoging van de afgelopen decennia zouden kunnen verklaren stelt K dat CO₂ nauwelijks invloed heeft op de temperatuur aan het aardoppervlak. Om dat te beargumenteren gebruikt hij MODTRAN, dat is een veelzijdig interactief model dat de stralingsbalans in een te variëren atmosfeer berekent.

Hij laat zien dat, als je [CO₂] in MODTRAN op 0 ppm zet, je de daardoor verstoorde stralingsbalans kunt herstellen door een temperatuurverlaging van 15 graden. Dit is in de standaard-atmosfeer, die heeft 0% bewolking (clear sky). Dit is niet erg realistisch, de bewolkingsgraad kan veranderen.

K laat zien dat je dezelfde temperatuurverlaging kan veroorzaken door 100% cumulusbewolking toe te voegen ([CO₂] blijft op 400 ppm).
Hij laat dus zien dat veranderingen in [CO₂] volledig te niet kunnen worden gedaan door verandering in bewolking.

Hij heeft hier een goed argument, de bewolkingsgraad is inderdaad afgenomen. Echter ook is [CO₂] toegenomen. Beide veroorzaken temperatuurverhoging, de een sluit de ander niet uit. Maar K doet dat wel, hij veronderstelt een 100% negatieve terugkoppeling op de forcering van CO₂ (met behulp van waterdamp). Dit lijkt me te geforceerd.
Trouwens net zo geforceerd om juist een sterk positieve terugkoppeling te veronderstellen (ook met behulp van waterdamp). De rol van bewolking en het effect van [CO₂] daarop wordt nog niet volledig doorgrond.

7. Samenvatting

De constatering dat veranderingen in de temperatuur tot gevolg hebben dat [CO₂] verandert is juist. Die respons van [CO₂] is afkomstig van de oceanen en biosfeer, is bescheiden en kan negatief zijn. Dat sluit niet uit dat [CO₂] kan stijgen door een externe oorzaak zoals vulkanisme en, in recente tijden, door het gebruik van steenkool, aardolie en aardgas.
CO₂ is een broeikasgas, het heeft een sterke emissie-absorptieband bij 15 μm, extra CO₂ doet de temperatuur aan het aardoppervlak stijgen. Deze respons is ook relatief bescheiden.

Als je deze de laatste relatie omdraait en beweert dat de stijging van [CO₂] veroorzaakt is door de temperatuur verkrijg je een enorme respons: ~140 ppm/K. In de data van de afgelopen 800 000 jaar is daar geen spoor van terug te vinden, zie figuur 3. Zo’n relatie bestaat simpelweg niet.
Naast het originele Suesseffect zijn er nog twee andere belangrijke argumenten tegen de visie van K:

1) Figuur 2 laat een zeer strak verband tussen [O₂] en [CO₂] zien. Het is moeilijk voor te stellen dat antropogeen CO₂ snel verdwijnt en dat de respons van de biosfeer precies past bij het verloop van [O₂].
2) Er is niet één enkele tijdschaal (van gemiddelde verblijftijd) van 4 jaar voor CO₂. Er zijn talloze tijdschalen. Door een zeer eenvoudig model te gebruiken kun je dat terugbrengen tot een 5-tal tijdschalen, die geven wellicht een goede beschrijving van de diverse aspecten van het aardse systeem.

Eén enkele tijdschaal voor verblijftijd bestaat alleen in het laboratorium. Als je twee niet-mengbare vloeistoffen goed schudt is er dezelfde tijdschaal voor uitwisseling als voor het instellen van evenwicht. Door het schudden vergroot je het contactoppervlak en verklein je de afzonderlijke volumes. Diffusie speelt geen rol, alleen uitwisseling aan het oppervlak. Het aardse systeem lijkt daar niet op.

***

(1) Researchgate.net, Demetris Koutsoyiannis, The relationship between atmospheric temperature and carbon dioxide concentration

(2) Climategate, Dirk Visser, De respons van CO₂ op de temperatuur (3) Climath, Demetris Koutsoyiannis, Are my works wrong for several reasons?

***

Dirk Visser.

Over de auteur

Na Mulo-B gewerkt in diverse laboratoria, avondopleiding scheikundig laboratorium assistent gedaan. Daarmee kon ik gaan studeren. Eerst scheikunde kandidaats cum laude, daarna natuurkunde doctoraal cum laude. Korte tijd gewerkt in de medische fysica, wat langer in de fysische oceanografie. Daarna niets meer aan fysica gedaan.

***