Naar aanleiding van mijn bezoek aan de ASPO conferentie in Brussel heb ik mijn gedachten over Peak Oil eens op een rijtje gezet.

Hieronder vindt u eerst mijn gedachten over de puur praktische aspecten van Peak Oil. Net als in mijn vorige stuk, dat de olieproblematiek puur vanuit de economie beschouwde, is dat een te beperkte benadering. Er volgen binnenkort dan ook nog beschouwingen op een wat hoger abstractieniveau.

Wat kost olie nou eigenlijk?

Op dit moment komt de meeste olie nog bijna gratis uit de grond: een vaatje kost in Venezuela of Iran ca. €10 voor het winnen, en kan met investeringen, risicodekking, een bonus voor de oliebazen en een flink douceurtje voor het land van winning, met een fraaie winst voor $30 per vat de markt op. Bij de huidige marktprijs stroomt het geld dus binnen bij de OPEC landen. De oliemaatschappijen krijgen daar in deze landen overigens niets van. Ze worden hoogstens betaald voor het winnen met een vast bedrag per vat, dat los staat van de olieprijs.

Van deze zg cheap oil is officieel nog enorm veel voorraad in de OPEC landen, dus zouden we ons helemaal geen zorgen hoeven maken. De oliecrisis in 2008 was puur het gevolg van de tekorten aan olieproductie, niet van opraken van de olievoorraad.

Alleen.. die voorraadcijfers zijn uiterst dubieus. De voorraden van veruit de grootste olieproducent Saudi Arabië, die geacht moeten worden goed te zijn voor nog minstens 50 jaar de huidige productie, blijken door deskundigen uit alle kampen véél lager ingeschat te worden, tot het punt dat ze eigenlijk al door hun cheap oil voorraden heen zijn. Ook de andere landen in de regio hebben officieel nog voor 50 tot 100 jaar huidige productie in voorraad, maar ook daar gelooft niemand meer in.

Officiële (!) olievoorraden in 2004 met daarin in het wit het productieniveau van 2002 (National Geographic, juni 2004)

Daar staat tegenover dat uit deze velden dan nog maar 20 tot 40% van de olie gehaald is. Er komen steeds betere technieken om er véél meer uit te halen, zij het wel tegen flink hogere kosten. Dit noemt men EOR (Enhanced Oil Recovery). Het lijkt erop dat in ieder geval Saudi Arabië daar al flink mee bezig is. Ook het Schonebeek veld is inmiddels winstgevend te heropenen, waarna er met EOR twee maal zoveel uitgehaald zal worden als we de eerste keer gedaan hebben (depletie van 15% naar 45%).

Dan zijn er verder een aantal landen waar op dit moment veel minder geproduceerd wordt dan mogelijk is. Zo heeft Irak enorme voorraden (de helft van SA) maar slaagt er niet in de productie voldoende op te voeren. Uit Libië komt even helemaal niets. Beide landen hebben nog veel cheap oil, en ze zijn niet de enigen.

Deze situatie houdt in dat er bij het opvoeren van de productie in die landen weer een overschot zou kunnen ontstaan, met als gevolg prijzen onder de $40 per vat. Een nachtmerrie voor de producenten van dure olie, en voor de regeringen die hun staatsuitgaven gebaseerd hebben op olie-inkomsten van boven de $70 per vat (zoals Saudi Arabië en Rusland)!

Dure olie

Terwijl tot nu toe door adequate exploratie en het toepassen van EOR de (goedkope) oliereserves 100 jaar min of meer constant gebleven zijn, zullen er voortaan nog amper goedkope velden gevonden worden. Bijna alle nieuwe velden liggen in diepe zee, of in arctische omgeving.

Dan zijn er nog de enorme hoeveelheden teerzanden, maar de winning daaruit is nog duurder dan uit de diepzee, en eigenlijk vooralsnog ontoelaatbaar smerig en energie-inefficiënt. De kosten van deze winning zijn op dit moment energetisch 40% in de vorm van het gebruikte aardgas, in dollars kaal $25 per vat, en in marktprijs boven de $80 per vat.

EOR zit qua marktprijs tussen de $40 en $80 in, diepzee olie tussen de $25 en $80, beide afhankelijk van de omstandigheden en gebruikte technieken.

Tot slot zijn er nog enorme voorraden shale-oil, maar de winning daarvan is technisch en economisch nog niet haalbaar. Toch dacht men dat van Shale-gas 15 jaar geleden ook, en inmiddels is het een enorme bedrijfstak die de gasmarkt op zijn kop gezet heeft. Bij blijvend hoge olieprijzen verwacht ik dus dat de voorraad shale oil vroeg of laat ook gewonnen zal worden.

De toekomst van de olieproductie

Het toekomstplaatje ziet er ongeveer uit zoals Rembrandt Koppelaar van Peak Oil Nederland het in 2009 voor het KIVI presenteerde:

Toekomst olieproductie - Rembrandt Koppelaar, KIVI 2009

Hij liet in het midden wat er over 20 jaar gebeurt, maar gezien het enorme potentieel van EOR en de unconventional oil (teerzanden, shale oil) valt aan te nemen dat het geschetste plateau ook daarna nog enige decennia stand zal houden. Bij dezelfde KIVI bijeenkomst vermoedde de Shell spreker zelfs dat het nog 100 jaar zou kunnen standhouden.

Beiden waren het er ook over eens dat een flinke stijging van de dagproductie er niet meer in zit. Dit terwijl de vraag bij gelijkblijvende olieprijs wel flink toe zou nemen.

Dit zal ongetwijfeld leiden tot een hogere prijs, en daardoor een dalende vraag, tot weer evenwicht ontstaat. De behoefte aan olie zal daarbij deels door andere bronnen worden ingevuld.

Olievervangers

Een zeer voor de hand liggende vervanger van benzine is aardgas. Dat is er nog heel veel, het is goedkoop, en auto’s rijden er prima op. Het is ook een erg schone brandstof, en zeer in trek bij alarmisten omdat er weinig CO2 vanaf komt. Er is dus niets wat bij hoge olieprijzen een snelle opkomst van aardgas tegenhoudt, behalve de infrastructuur. Maar daaraan wordt gewerkt, in ieder geval in Nederland.

Dan is er voor zwaarder transport zoals vrachtwagens en schepen vloeibaar aardgas (LNG) dat uitstekend diesel kan vervangen. Dat is nu nog  geen optie door de lage prijs van zware stookolie en diesel, maar bij een hogere dieselprijs en zwaardere milieueisen aan schepen wordt het al snel economisch, en er is geen enkele technische belemmering voor de invoering.

De olieprijs zal zich uiteraard instellen op het niveau waarop extra olie of alternatieven daarvoor kunnen worden geproduceerd. Dat zou dus in de buurt van de $80 per vat kunnen zijn, omdat er op dat niveau nog voor decennia winstgevend geïnvesteerd kan worden in unconventional oil.

Maar sterke concurrenten hiervoor zijn de eerste twee in aanmerking komende nieuwe bronnen voor vloeibare transportbrandstof: transportbrandstof uit Gas To Liquid (GTL) en Coal To Liquid (CTL). In beide is Shell actief: GTL in een enorm project in Qatar, en CTL in China.

Hierbij wordt met het Fischer Tropsch  (FT) proces gewerkt, waarbij de kool of het gas eerst omgezet wordt in syngas (voornamelijk H2 en CO) en vandaar in vloeibare brandstof. Bij dit proces gaat ongeveer 40% van de energie-inhoud van de bron verloren, maar dat wil nog niet zeggen dat het daarom oneconomisch is. Bij een olieprijs van $80 kun je namelijk in Qatar heel wat zo goed als gratis aardgas verstoken om een liter kostbare olie te maken!

Ook CTL werkt met FT en dus met syngas, en nu we sinds vorige week weten dat er enorme nieuwe steenkoolreserves beschikbaar komen wanneer je ze ondergronds vergast tot syngas, is duidelijk dat we hier met een erg interessante bron voor CTL te maken hebben!

Fischer Tropsch is al eerder de oplossing geweest voor landen zonder olie. De bekendste daarvan zijn Duitsland in de tweede wereldoorlog, en Zuid Afrika tot op heden. Het proces levert ook nog eens bijzonder zuivere brandstof op, wat voor transporttoepassing een extra voordeel is omdat daarbij uitlaatgasreiniging moeilijk is.

Duurzame olievervangers

Velen hopen dat de oprakende cheap oil vervangen gaat worden door duurzame bronnen. Het was op het congres een zo voor de hand liggende gedachte dat hij slechts bij uitzondering ook hardop uitgesproken werd.

Dit acht ik echter bijzonder onwaarschijnlijk. Er is vooralsnog slechts voor zeer weinig vormen van transport een zinnige elektrische oplossing voorhanden. Wat er aan duurzame bronnen wellicht nog enigszins in aanmerking komt voor energievoorziening (CSP, getijden-energie en on shore grote windturbines) levert erg dure stroom die helemaal onbetaalbaar wordt als je er ook nog eens een transportbrandstof van moet maken.

De makkelijkste oplossing hiervoor is natuurlijk de elektrische auto.  Maar de eerste elektrische autogolf worden mijns inziens extra auto’s, die méér kilometers gaat opleveren, zonder het fossiele aantal kilometers te verminderen. De tweede zal vooral de korte afstandenrijder bedienen, en dus ook het zakelijke lange-afstandverkeer niet verminderen. Enige invloed op de oliebehoefte zal er wel van uitgaan, maar voor zakelijke ritten, wegtransport, vliegverkeer en scheepvaart blijft de komende decennia gewoon vloeibare brandstof nodig.

Resteren de biobrandstoffen, maar de op het noordelijk halfrond toegepaste vorm (bio-ethanol uit maïs) kost om te produceren zelfs méér olie en gas dan er aan energie-inhoud uiteindelijk in de ethanol zit. Energetisch gunstigere vormen zoals ethanol uit suikerriet hebben een lokale en vooral economische betekenis, bv. in Brazilië, maar er is simpelweg véél te weinig landbouwgrond om hiermee een substantieel deel van de wereld oliebehoefte te dekken, ook al gebruiken we alle bestaande landbouwgebieden en stoppen we geheel met voedselproductie. Het is dan ook niet vreemd dat biobrandstoffen zowel door milieuorganisaties, de meeste ASPO bezoekers, de sceptici, en zelfs vele AGW aanhangers als dwaas en gevaarlijk worden bestempeld.

Hoe olie dan wel door duurzame bronnen vervangen zou kunnen worden is mij eerlijk gezegd een raadsel.

Ik sta dan ook niet verbaasd dat de meeste oliemaatschappijen hun duurzame experimenten gestopt hebben en zich weer toeleggen op de winning van gas en van de moeilijkere olie. We verwachten per slot van rekening van hen dat ze onze economie draaiend houden.

Conclusie

Er is nog voor vele decennia voldoende olie voor het huidige productieniveau. Wel zal de prijs na een volatiele periode blijvend stabiliseren op een hoger niveau, dat bepaald gaat worden door de prijs van CTL, GTL, EOR en/of onconventionele oliewinning. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat die prijs ver boven de $100 per vat zal liggen. Hierdoor zal de vraag afnemen, en zullen nieuwe, dure, maar vooralsnog fossiele alternatieven worden ontwikkeld.

Deze hogere olieprijs lijkt niet per se ernstig ontwrichtend te hoeven zijn voor de wereldeconomie, al zal hij voor veel arme landen wel een behoorlijk probleem opleveren, vooral ook omdat de olieprijs sterke gevolgen heeft voor de voedselprijs. Het verband tussen onze biobrandstoffen en de recente Arabische voedselrevolutie stelde ik al eerder aan de orde.

Ook zijn er nog allerlei indirecte effecten op de economie die we nog helemaal niet onderzocht hebben. Maar of de hogere olieprijs nu wel of niet tot economische ellende zal leiden: blijft staan dat het vervangen van de dure olie door nóg duurdere duurzame energiebronnen een nog ernstiger effect op de economie zou hebben. We zullen het er dus gewoon mee moeten doen.

De verre toekomst

Bovenstaande overwegingen laten overeind staan dat er ooit, mogelijk over 50 tot 100 jaar, echt een einde komt aan de fossiele aardolieproductie als energiebron voor het transport. De alternatieven zullen dan wellicht veel duurder zijn dan olie op dit moment, en dat is dan hoogstwaarschijnlijk een grote bedreiging voor de economie. Hierover zijn zelfs apocalyptische verhalen geschreven.

Maar ook al is dat inderdaad zo, hoe zinvol is het om daar nu al op te anticiperen?

Ook al zouden we in 2100 helemaal over moeten stappen op brandstofproductie uit duurzame elektriciteit, dan nog is het dwaasheid om daarvoor nú windmolens en zonnecentrales te bouwen. Die gaan maar 15 jaar mee, dus hebben we ze al minstens 6x moeten vervangen vóór we ze nodig hebben. Al die tijd hebben ze een extreem zware last gelegd op de economie, zonder bij te dragen aan het probleem van over 60 jaar. Dan ben je als het ware de economie enorme klappen aan het toebrengen, zonder dat je iets verandert aan de klap die je eigenlijk wilt vermijden, en waarvan je daar bovenop nog met geen mogelijkheid kunt weten hoe groot die zal zijn en wanneer hij gaat komen.

Het lijkt dus zinvoller om als maatschappij nu te investeren in de ontwikkeling van nieuwe technologie, dan in de toepassing van de bestaande veel te dure oplossingen.

Dit uiteraard allemaal onder de aanname dat de alternatieve energie van nu veel duurder is dan de fossiele equivalent. Zo ga ik er van uit dat wind ca. 5x en zonnecellen ca. 20x duurder zijn dan stroom uit moderne kolen- en gascentrales(CC). Als je al onze energie uit wind (50%) en PV (50%) zou opwekken, zou het aandeel van energie in ons GDP van 2% naar 25% stijgen, als mijn aannames kloppen. Dat zou uiteraard rampzalig zijn. De economen in Brussel gaven zelfs aan dat er in het verleden telkens een recessie is ingezet zodra de energieprijs boven de 4% van het GDP komt.

Wanneer er wél een betaalbare duurzame energiebron zou opduiken worden die geschikt is als olievervanger, zal de prijs daarvan de olieprijs gaan bepalen, zullen EOR- en unconventional oil in de grond blijven, en zouden tot mijn grote vreugde de energieverkwistende CTL en GTL niet grootschalig van de grond komen.

Ik zou dit zeer toejuichen. Maar ik zie vooralsnog niet hoe het mogelijk is om een significant deel van onze transportenergie op zinnige wijze uit duurzame energie te halen.

 

 

 

Print Friendly, PDF & Email