Lennart Bengtsson.

Dit is een enigszins ingekorte vertaling van een wat ouder interview van Svenolof Karlsson met de vooraanstaande Zweedse klimatoloog Lennart Bengtsson.

Bron hier.

Natuurlijk wordt de aarde warmer. Maar het gaat heel langzaam, en de temperatuur is al vijftien jaar stabiel. De wereld kent veel problemen, maar deze hebben heel weinig te maken met klimaatverandering, zegt professor Lennart Bengtsson, een topper op het gebied van klimaatonderzoek.

Lennart Bengtsson, geboren in 1935 als een kind uit een arbeidersgezin in Trollhättan, is thans verreweg de meest vooraanstaande Noordse klimaatonderzoeker. In de jaren zestig, als een jonge master in de meteorologie in dienst van de Zweedse SMHI (Sveriges meteorologiska och hydrologiska institut), was hij een centrale figuur in de ontwikkeling van de Noordse samenwerking en leerde hij onder andere de gerenommeerde Finse meteoroloog, Erik Palmén, kennen.

In de jaren zeventig en tachtig was hij betrokken bij de bouw van het European Centre for Weather Forecasting, en het European Centre for Medium-Range Weather Forecasts (ECMWF) in Reading, Engeland, eerst als onderzoeksmanager en vervolgens als directeur van het centrum. In 1990 werd hij benoemd tot directeur van het Max Planck Instituut voor Meteorologie in Hamburg en was hij verantwoordelijk voor de ontwikkeling van klimaatmodellen bij dit instituut van 1991 tot 2000.

Ondanks het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd bleef hij actief. Sinds 2001 is hij professor aan het Environmental Systems Science Center aan de Universiteit van Reading, in 2008 werd hij benoemd tot hoofd van de aardwetenschappen aan het ISSI (International Space Science Institute) van het International Space Science Institute in Bern, Zwitserland. Alsof dat nog niet genoeg was, is hij sinds 2009 ook gastprofessor aan de universiteit van Uppsala.

Vele onderscheidingen

De lijst met indrukwekkende onderscheidingen is lang, zoals de Milancoviçal Medal (European Geophysical Society), Descartes Prize (EU), IMO Prize (WMO), Rossby Prize (Swedish Geophysical Association) en Alfred Wegener Medal (European Geophysical Union). De Finse Academie van Wetenschappen is een van de academische instituties waar hij lid van is.

Zijn belangrijkste onderzoeksgebied is atmosferisch modelleren, maar zijn uniek lange carrière heeft ook een algemene wetenschappelijke breedte opgeleverd. Daardoor zou hij bijna kunnen worden gekwalificeerd als een eenmans universiteit.

Toch is Lennart Bengtsson in Zweden niet erg bekend buiten wetenschappelijke kringen. Zeker deels omdat hij de afgelopen veertig jaar voornamelijk in het buitenland heeft gewerkt, maar ook omdat hij geen media–aandacht zocht.

Voor de Katternö–krant heeft hij zich echter bereid getoond tot een openhartig interview. Met educatief geduld en veel charme laat hij enkele van de centrale kwesties in het huidige klimaatdebat de revue passeren.

Enkele uitgangspunten

Eerst moeten we weten waarover we praten. Er wordt vaak beweerd dat er een consensus bestaat over het klimaatprobleem, dat 97 procent van de onderzoekers het eens zijn over een naderende ernstige opwarming en dat klimaatsceptici een kleine minderheid vormen – klimaatontkenners, die niet serieus hoeven te worden genomen.

Maar dat is slechts goedkope retoriek. Geen enkele serieuze wetenschapper ontkent klimaatverandering. Klimaatverandering is van alle tijden. Ook twijfelt niemand aan het feit dat de mens invloed heeft op het klimaat. De vraag is of deze zo groot is dat het praktische betekenis heeft. Ook ontkent geen enkele serieuze onderzoeker dat het verhogen van het koolstofdioxidegehalte in de atmosfeer een factor is die de temperatuur opdrijft. Deze kwestie wordt bepaald door de natuurwetten en is bekend sinds het midden van de 19e eeuw. Svante Arrhenius voerde al in 1896 een opmerkelijke klimaatberekening uit.

Maar de vraag is wat de invloed is van kooldioxide in wisselwerking met alle andere factoren die ook de temperatuur beïnvloeden. Er zijn ook factoren die de temperatuur verlagen – wat is hun invloed? Een andere fundamentele vraag is wat beter is voor mens en planeet: een warmer of kouder klimaat? Het opwarmingsalarmisme gaat alleen over rampen. Maar opwarming heeft ook voordelen.

Hoe moet men de beweringen over consensus beoordelen?

‘Ik vind het moeilijk de veranderingen in de consensus bij te houden’, zegt Lennart Bengtsson. ‘Naar mijn mening is het noodzakelijk om een onderscheid te maken tussen een puur wetenschappelijke benadering en een adviserende sociale functie. Wetenschap is een dynamisch proces, waarin geleidelijk systematische kennis wordt ontwikkeld. Een centraal aspect is de empirische component, dat wil zeggen kennis die kan worden bevestigd door observaties.”

Verreweg de belangrijkste bijdrage aan klimaatkennis is de ontwikkeling van nieuwe observatiesystemen in de afgelopen decennia. ‘We kennen nu heel gedetailleerd de atmosfeer en de dynamiek en fysica van de zeeën. Toen ik eind 1950 begon met het bestuderen van meteorologie, werd gedacht dat het albedo van de aarde 0,40 was en niet, zoals we nu weten, 0,29. Met een albedo van 0,40 zouden alle klimaatscenario’s de verkeerde kant op gaan’, zegt Lennart Bengtsson.

Hoe verstandig is het om deze deels onzekere kennis te gebruiken om de samenleving te adviseren, bijvoorbeeld bij langetermijnbeslissingen en investeringen?

Helaas is er een hele machinerie gecreëerd die besluitvormers gedetailleerde, door computersimulatie verkregen informatie biedt, waardoor de indruk wordt gewekt dat we aanzienlijk meer weten dan we in feite weten. Met kleine veranderingen in verschillende parameters, kan men gemakkelijk gruwelscenario’s ontwerpen, zoals het nieuwste van de Wereldbank [besteld bij het Potsdam Institut für Klimafolgenforschung, PIK]. Daarom vindt men ook geen overeenstemming tussen afzonderlijke toekomstscenario’s.’

Ook zou het niet de taak van de wetenschap moeten zijn om gedetailleerde informatie te verstrekken aan politici, vindt Lennart Bengtsson. ‘We gaan er vanuit dat politici en andere besluitvormers over een gezond oordeel beschikken. Helaas is dit niet altijd het geval en dan moet men hopen dat kiezers andere politieke kandidaten zullen kiezen en dat binnen het bedrijfsleven aandeelhouders en de markt reageren. Ook kan advies bij wetenschappelijke academies worden ingewonnen.’

Er dient niet te worden vergeten dat verschillende landen risico’s anders beoordelen. ‘De Noordse traditie met zijn rotsvast geloof in de rol van de wetenschap in de samenleving, wil op praktisch alle terreinen de toekomst in absurdum plannen. Als je de theoretische onzekerheid die bestaat in de weers– en daarmee ook de klimaatprognoses combineert met de Scandinavische traditie van social engineering en planningsdrift, krijg je waanzinnige uitkomsten.

Hoeveel warmer is het geworden?

Om verhoudingen aan te geven dient men zich te realiseren dat de aarde minder dan twee derde van haar bestaan minstens 7 graden warmer was dan vandaag. Als we alleen naar de laatste 160 jaar kijken (sinds 1850 beschikken we over betrouwbare wereldwijde meetreeksen), is de temperatuur met 0,8 graden gestegen.

Sinds 1958, het begin van de continue meting van het koolstofdioxidegehalte in de atmosfeer, is de temperatuur ongeveer 0,5 graden gestegen. Maar de curve gaat niet gelijkmatig omhoog. De jaren 1930 en 1940 waren warmer dan de jaren 1960 en 1970. En na een opwarmingsfase in de jaren tachtig en negentig is de temperatuur de afgelopen vijftien jaar helemaal niet gestegen. In zijn rapport van 2007 is het IPCC van mening dat het grootste deel van de toename in de afgelopen 50 jaar met grote waarschijnlijkheid dient te worden toegeschreven aan de toename van het koolstofdioxidegehalte in de atmosfeer, waarvan men denkt dat de mens erachter zit. Uit deze deze IPCC–uitspraak kunnen we afleiden dat de menselijke invloed 0,3 graden moet zijn geweest. Dat is gering in verhouding tot het totale broeikaseffect.

‘De temperatuurstijging is zo klein dat bijna niemand het zou opmerken, tenzij we hierover door meteorologen werden geïnformeerd’, aldus Lennart Bengtsson. ‘Het is belangrijk om te weten dat het effect van de toename van koolstofdioxide logaritmisch is, dat wil zeggen dat het effect langzamer toeneemt naarmate het koolstofdioxidegehalte toeneemt. Een toename van het kolstofdioxidegehalte van 400 tot 800 ppm [miljoen delen] heeft minder effect dan een toename van 200 tot 400 ppm.’

‘Het stijgingspercentage van het broeikaseffect is het afgelopen decennium zelfs afgenomen in vergelijking met de periode 1980-1909. Dit is maar liefst 22 procent. Dit komt door de genoemde logaritmische curve, het feit dat het broeikasgas methaan zeer langzaam is toegenomen, alsook dat de freongassen zijn afgenomen. Het lijkt erop dat de experts in de media hiervan niet op de hoogte zijn’, zegt Lennart Bengtsson.

De blauwe curve toont de huidige mondiale temperatuurtrends van 1850 tot 2012, volgens HadCRUT3 (het British Hadley Centre en de klimaatunit van de Universiteit van East Anglia). Sinds 1880 hebben we een stijgende trend, van 0,8 graden tot op heden. Die stijging begon lang voordat de industriële samenleving CO2–uitstoot van enige betekenis produceerde. Het IPCC denkt dat het aandeel van de mens in de stijging 0,3 graden bedraagt.

De gestreepte donkerblauwe lijn geeft aan waar de temperatuur zal eindigen als het stijgingspercentage van 1880 doorzet tot 2060. De gestreepte zwarte lijn toont de trend van de afgelopen vijftien jaar, die nul is. Als die doorgaat tot 2060, dan hebben we dezelfde temperatuur als vandaag. De rode stippellijn toont het scenario tot 2060, waar de Wereldbank onlangs voor waarschuwde.

Wankele basis
De wetenschappelijke basis voor de berekening van mogelijke veranderingen in het klimaat op aarde is wankel. ‘Vooral omdat we geen verificatiemiddelen hebben, omdat we het toekomstige klimaat eenvoudigweg niet kennen. Gebaseerd op theorie en waarnemingen van de afgelopen 100 jaar is het echter redelijk om verdere opwarming te verwachten, zolang de uitstoot van broeikasgassen blijft stijgen. Maar de mate en gedetailleerdheid van deze opwarming is en blijft onzeker, hoe geavanceerd de klimaatmodellen ook moge zijn.’

Volgens Lennart Bengtsson is de meest waarschijnlijke verklaring voor het stoppen van de opwarming (gedurende de afgelopen vijftien jaar) de interne variaties in het klimaatsysteem, of een gevolg van verhoogde emissies van aerosolen [‘stofdeeltjes’], die de temperatuur verlagen. Helaas zijn er nog steeds geen goede methoden om de aerosolen te meten.

Vanwege de traagheid van het klimaatsysteem is het niet mogelijk om het CO2-gehalte van jaar tot jaar te vergelijken met de mondiale temperatuur. De enige manier om hierover duidelijkheid te krijgen, is door te volgen wat er echt gebeurt in de komende decennia.’

‘Helaas wordt de verwarring ook veroorzaakt doordat zelfs degenen die beweren ‘klimaatwetenschapper’ te zijn, geen onderscheid maken tussen weer en klimaat’, zegt Lennart Bengtsson.

‘Het is niet mogelijk om uitspraken te doen over klimaatverandering op tijdschalen korter dan ongeveer 50 jaar. Het weer, dat velen voor klimaat aanzien, is onderhevig aan natuurlijke variaties, niet in de laatste plaats op regionale schaal. Voor periodes langer dan een paar weken zijn de variaties niet voorspelbaar. Dit komt omdat de weersystemen chaotisch zijn gedurende perioden van één maand of langer.

‘Helaas zijn het niet alleen leken die hiertegen zondigen, maar ook het IPCC, hierdoor aangezet door het publiek en de politiek’, zegt Lennart Bengtsson.

Hoeveel stijgt de zeespiegel?

Sinds het midden van de 19e eeuw beschikken we over systematische metingen van de zeespiegel en deze zijn geleidelijk verbeterd door meer meetstations en betere apparatuur. De toename na 1860 wordt geschat op 20–25 cm. In de periode 1993-2012 hebben satellietmetingen een stijging van ongeveer 3 mm per jaar laten zien. Andere metingen iets minder.

[Nadat dit interview plaatsvond dit interview heeft NOAA, het officiële bureau van de Verenigde Staten voor marien en atmosferisch onderzoek, een rapport gepubliceerd waaruit blijkt dat de meetwaarden voor de jaren 2005–2012 een toename van slechts 1,2–1,6 mm per jaar aangaven.]

‘Er is dus recentelijk geen verandering in de snelheid van toename opgetreden. Het is ook niet duidelijk waarom de zeespiegel al aan het einde van de 19e eeuw begon te stijgen. We kunnen zelfs geen duidelijk verband zien tussen de temperatuurstijging en de verhoogde zeespiegel’, zegt Lennart Bengtsson.

‘Het is duidelijk dat de zeespiegel lokaal sterk varieert als gevolg van getijden, wind, luchtdruk en oceaanstromingen. De variaties van jaar tot jaar zijn geheel natuurlijk en weerspiegelen de wateruitwisseling tussen continenten en de zee. In sommige gebieden is de zee zelfs gedaald, in andere aanzienlijk hoger dan het wereldwijde gemiddelde.’

Tegenwoordig wordt de massa van de zee gemeten met de zwaartekrachtsatelliet GRACE en het volume met radaraltimetrie, momenteel van de satelliet JASON 2. Daarnaast is er het boeiensysteem ARGO. Uit metingen van deze systemen blijkt dat meer dan 1 mm. van de jaarlijkse stijging dient te worden toegeschreven aan thermische expansie van de zee, terwijl 2 mm. voornamelijk afkomstig is van smeltwater van berggletsjers en landijs. Twee mm. per jaar komt overeen met ongeveer 700 kubieke kilometer smeltend ijs. Het meeste komt van berggletsjers en een kleiner deel uit Groenland en het westelijke Noordpoolgebied. Een lichte toename van ijs lijkt op grote hoogte plaats te vinden in de Himalaya, in het Karakorum-gebied en in het oostelijke Noordpoolgebied, zegt Lennart Bengtsson.

‘Wat wel eens vergeten wordt in het debat, is de belangrijke rol die neerslag speelt voor de vorming van gletsjers en landijs. De sneeuwval boven de centrale delen van Antarctica en Groenland is waarschijnlijk toegenomen. Hetzelfde geldt voor delen van de Himalaya. De gletsjervorming op de Kilimanjaro wordt niet bepaald door temperatuurstijging [omdat de temperatuur op deze hoogte ver onder het vriespunt ligt] maar door verminderde neerslag, die niet afhankelijk is van het broeikaseffect, maar verband zou kunnen houden met ontbossing in de directe omgeving.’

Meer neerslag

Als de temperatuur stijgt, zal de neerslag volgens de modellen aanzienlijk toenemen in de poolgebieden, in de tropen en in de regio’s met moessonklimaten, zegt Lennart Bengtsson.

‘Dit zal de ijsmassa op het binnenlandijs en in sommige gebieden met hoge gletsjers doen toenemen. Om deze reden verwachten verschillende onderzoekers dat de stijging van het waterniveau iets kleiner zal zijn dan de schatting van het IPCC [20-50 cm. tot het einde van de eeuw].’

Lennart Bengtsson is sprakeloos over het gebrek aan kennis bij de planning, waartoe politici op gemeentelijk en regionaal niveau in Zweden hebben besloten om gemeenschappen te beschermen tegen toekomstige zeespiegelstijgingen, zoals het bouwen van schuilplaatsen in Stockholm en dergelijke. Zonder na te denken over de voortdurende stijging van het land.

‘Dus het is de politiek niet opgevallen dat het land stijgt! Met enkele millimeters per jaar overtreft deze de langzaam stijgende zeespiegel! Is er geen kennis meer over de stijging van het land op de basisschool?

Ik ben niet alleen verrast, ik ben perplex!’

Met andere woorden, er is geen reden voor paniek, zoals men die in de media en politiek aantreft. Lennart Bengtsson: ‘Ik vergelijk het liever met de middeleeuwse aflaten van de katholieke kerk. Dat was een effectieve manier om de mensen bang te maken, zodat zij bereid waren te betalen om aan de gruwelen van de hel te ontsnappen. De katholieke kerk van die tijd was hierin zeer bedreven. We moeten dankbaar zijn dat Luther erin geslaagd is een eind te maken aan deze praktijken, althans in onze protestantse regio’s.’

Hoe zit het met het ijs in het Noordpoolgebied?

In september 2012 bereikte de oppervlakte van het het Arctisch zee–ijs een minimum, althans in de periode van de satellietmetingen. Hoe moeten we dat interpreteren?

Een probleem is de grote onzekerheid rond de ijsbedekking in het Noordpoolgebied in vroegere perioden, zegt Lennart Bengtsson. Vooral de ijsdikte is de afgelopen decennia echter afgenomen, door de sterke ijsafname in de late zomer en vroege herfst.

Ook de sterke winden in het Arctisch gebied zouden het afsmelten in de zomer kunnen versnellen, wat afgelopen augustus gebeurde. ‘Het totale ijsoppervlak in de late herfst, winter en lente vertoont echter slechts een lichte daling. Dat houdt verband met toegenomen waterdamptransport naar het Noordpoolgebied. Dat vermindert de stralingsafkoeling en zorgt voor meer absorptie van zonnewarmte in de zee tijdens het smelten van ijs. Modelresultaten en observaties zijn hier in overeenstemming.’

In vergelijking met het ijs op de grote landmassa’s Groenland en Antarctica, heeft het zee–ijs een onbeduidend volume en heeft het smelten ook geen invloed op de zeespiegel.

Hoe snel zou het smelten van de Groenlandse en Antarctische ijsmassa kunnen plaatsvinden?

Lennart Bengtsson verwijst in dit verband naar een studie (Huybrechts et al. 2011) waarin werd geconcludeerd dat het, uitgaande van een verviervoudiging van het CO2–gehalte in de atmosfeer, ongeveer 3.000 jaar zou duren voordat het ijs in Groenland zou zijn gesmolten en 30.000 jaar voordat het ijs op Antarctica zou zijn verdwenen.

‘De accumulatie van ijsmassa op Antarctica is ongeveer 2500 miljard ton per jaar, terwijl het afsmelten minimaal is. De ijsmassa wordt verminderd door afkalving van ijs, die van nature zeer onregelmatig is.’

‘De angst dat Antarctica op het punt staat te smelten, is bijna van eenzelfde orde als de angst dat de Aarde en Venus over een miljard jaar op elkaar zouden kunnen botsen [zoals sommige modelberekeningen laten zien].’

Voordat de temperatuur in Eismitte (de bekende locatie in het midden van Groenland op ongeveer 3000 meter hoogte, die de onderzoeker Alfred Wegener fataal werd) boven 0 °C daalt, moeten we enkele eeuwen wachten, zelfs met een tienvoudige toename van de broeikasgasconcentratie, zegt Lennart Bengtsson.

‘Op het 1500 meter hoogte groeit de Groenlandse ijskap momenteel. Deze zal nog sneller groeien als de temperatuur en de neerslag in de vorm van sneeuw toenemen. Bovendien kunnen we er niet zeker van zijn dat het echt warmer wordt bij Eismitte. Enige tijd geleden vergeleek ik de gegevens van vandaag met de gegevens van Wegener meer dan 80 jaar geleden en kon ik geen significante veranderingen zien.’

Hoe staat het met weersextremen?

Extreme weersomstandigheden vormen een groot maatschappelijk probleem, zoals bijvoorbeeld is gebleken uit de enorme schade (ongeveer $ 20 miljard) die orkaan Sandy heeft veroorzaakt. Desondanks staat Sandy wat schade betreft pas op ongeveer de twintigste plaats van alle orkanen die de Verenigde Staten de afgelopen honderd jaar hebben getroffen. De schade na orkaan Katrina in Orleans in 2005 was bijvoorbeeld vijf keer groter, gemeten in dollars.

Zijn de stormen te wijten aan een warmer klimaat?

Lennart Bengtsson: ‘Tropische orkanen komen voor in zes verschillende regio’s, vier op het noordelijk halfrond en twee op het zuiden. De twee meest actieve gebieden zijn de tropische Atlantische Oceaan en de westelijke Stille Oceaan. Voor de ontwikkeling van een tropische orkaan is een zeewatertemperatuur van ten minste 26 °C vereist, maar dit is slechts één noodzakelijke voorwaarde. Andere factoren, zoals een gunstige luchtstroom en verticale temperatuurstratificatie, zijn nog belangrijker.’

‘Die andere factoren zijn minder bekend bij het publiek, waardoor een vereenvoudigd idee is ontstaan dat alleen de zeewatertemperatuur cruciaal is. Men gelooft dan dat als de zee warmer wordt, er steeds meer en zwaardere orkanen zullen voorkomen. Maar de intelligente waarnemer zou waarschijnlijk hebben vermoed dat de realiteit complexer is, aangezien orkaanactiviteit van jaar tot jaar sterk varieert.’

Het orkaanseizoen van vorig jaar in de Atlantische Oceaan was zelfs zwakker dan normaal, met slechts drie zwakke tot middelgrote orkanen die de VS en het Caribisch gebied bereikten, namelijk Ernesto (categorie 1), Isaac (ook 1) en Sandy (categorie 2, maar met afnemende wind toen deze New York bereikte). De media slaagden er echter in om een tegenovergesteld beeld te schetsen, zegt Lennart Bengtsson.

Een uitzonderlijk orkaanjaar daarentegen was 2005, met vijf orkanen in de hoogste klasse (categorieën 4 en 5). De genoemde Katrina, een orkaan van categorie 5, had windsnelheden tot 70 meter per seconde ofwel het dubbele van Sandy. Een gedetailleerde bestudering van de statistieken toont aan dat er ook vroeger geen gebrek aan zware orkanen is geweest.

‘Een belangrijk aspect zijn de sterk verbeterde mogelijkheden voor het detecteren van orkanen met satellieten. Dit heeft geleid tot een toename van het aantal gedetecteerde orkanen. Maar in feite is het aantal orkanen eerder afgenomen. In een warmer klimaat kan in beginsel een verhoogde intensiteit worden verwacht, maar dat is nog niet aangetoond.’

Sandy werd uitzonderlijk goed voorspeld door, onder andere, het ECMWF [European Centre for Medium-Range Weather Forecasts], dat een week van tevoren de juiste route van de orkaan voorspelde. Zonder de uitstekende voorspellingen zou het verlies aan mensenlevens zeker veel groter zijn geweest, zegt Lennart Bengtsson.

‘Sandy was niet het resultaat van een veranderd klimaat, maar een extreme gebeurtenis die deel uitmaakt van het klimaat op aarde, en dat is ook altijd zo geweest. Een positieve ontwikkeling wordt gevormd door grote verbeteringen in de voorspellingen, die het resultaat zijn van betere observaties en meer gedetailleerde computermodellen.’

Samenvattend:

‘Chaotische weersomstandigheden en weersextremen hebben niets te maken met het broeikaseffect!’

Over het IPPC en de klimaatconferenties

Lennart Bengtsson staat sceptisch tegenover de grote klimaatconferenties, zoals de VN die over de afgelopen achttien jaar heeft georganiseerd. ‘Deze klimaatconferenties vervullen geen zinvolle functie meer. De bijeenkomsten worden bepaald door politieke agenda’s De wetenschap moet zich aanpassen aan de nagestreefde doelen. We kunnen alleen maar hopen dat meer mensen dit gaan beseffen en dat dit wordt beëindigd.

Sinds 1990 volgt Lennart Bengtsson het werk van het IPCC. In dat jaar trad hij aan bij het Max Planck Instituut in Hamburg en hield zich daar als manager bezig met met modelberekeningen en modelontwikkeling, die centraal staan in het IPCC–proces. ‘Wat het laatste IPCC-rapport betreft, zijn er enkele kleine tekortkomingen in dat deel [deel 1] die ik goed heb gelezen. Mijn mening is echter dat IPCC in het algemeen een goed functionerend orgaan is. De problemen vloeien voort uit de politisering.’

‘Een alternatief’, zegt Lennart Bengtsson, ‘zou een onderzoeksgroep kunnen zijn met leden van geselecteerde academies. Zonder het IPCC zouden we waarschijnlijk worden overspoeld met extreme rapporten à la die van de Wereldbank.’

‘Men kan zich nog steeds afvragen in hoeverre je door kunt gaan met het IPCC. De landen hebben al voldoende informatie ontvangen. Het probleem is ook dat landen onvoldoende mogelijkheden hebben om de uitstoot op korte termijn te verminderen. Dit geldt voor zowel de politieke als economische aspecten.’

Lennart Bengtsson heeft soms gespeeld met het idee van een algemeen debat over de algemene relativiteitstheorie van Einstein, inclusief de kromming van de ruimte en aspecten van de niet-Euclidische geometrie.

‘Er zijn grenzen aan popularisering van de wetenschap. Het klimaat is schijnbaar eenvoudig en beïnvloedt iedereen. Dit is het probleem, omdat een groot deel van de klimaatmaterie even complex en moeilijk uit te leggen is aan een leek als de kromming van de ruimte.’

Waarom heb je je in het klimaatdebat gemengd?

De recente betrokkenheid van Lennart Bengtsson bij het klimaatdebat vloeit voort uit het feit dat hij zich steeds meer zorgen maakt over de ontwikkeling van de meteorologie en klimatologie en de manier waarop modelsimulaties worden gebruikt: ‘Het klimaatonderzoek is gepolitiseerd, de besluitvormers hebben een overmatig vertrouwen in modellen en de jongere generatie onderzoekers gebruikt modellen als zwarte dozen en is tevreden zolang de uitkomsten van de berekeningen overeenkomen met wat de meeste mensen verwachten.’

Anderen presenteren de resultaten van dergelijke berekeningen met geavanceerde grafische methoden aan een publiek dat geen idee heeft waarop deze zijn gebaseerd. Hoe minder je weet, hoe meer overtuigd je lijkt te zijn. ‘Een belangrijk probleem is dat de klimaatmodellen niet kunnen worden gevalideerd’

‘Als ik nu zie hoe de modellen worden gebruikt in het politieke besluitvormingsproces, schrik ik bijna. Het is net alsof je je kleinkinderen geladen geweren en scherpe handgranaten geeft om mee te spelen.’

Bedenkelijk zijn de lange-termijn simulaties met allerlei denkbare emissiescenario’s en modelversies, die op zijn best door een paar mensen worden begrepen. Bovendien is het feit dat de modelberekeningen geen voorspellingen zijn, omdat we te maken hebben met chaotische processen. Een feit is dat de opwarming van de aarde tot nu toe volkomen onschadelijk is gebleken, zegt Lennart Bengtsson.

‘Om opwarmingsscenario’s te presenteren met +2, +4, +6 °C of zelfs meer, met allerlei modellen, is eigenlijk waanzinnig. Sommige angstige of naïeve mensen geloven daarin en worden hysterisch of krijgen andere problemen. Anderen zien een kans om dit te gebruiken voor persoonlijke en andere doeleinden. En dat zijn er niet weinig!’

Als het gaat om politieke beslissingen, vraagt Lennart Bengtsson om een actiestrategie op basis van feiten, zodat beslissingen snel kunnen worden genomen als men duidelijker ziet wat er gebeurt.

‘Je kunt eenvoudigweg niet alles plannen wat je nog niet weet. Denk eens na over het nut van de Franse Maginotlinie tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Duitsers liepen er gewoon voorbij!’

‘De wereld bevindt zich in een voortdurende technologische evolutie, waarin de dynamische en mondiale economie van vandaag de beste garantie biedt voor verstandige oplossingen, bijvoorbeeld wat betreft het energievraagstuk.’

Liefdadigheid begint thuis

Als lid van de Zweedse Koninklijke Academie van Wetenschappen heeft Lennart Bengtsson onder meer aanbevelingen gedaan over energiekwesties – de sector waar de politiek maatregelen wil nemen, waarvan men denkt dat zij de klimaatverandering kunnen beïnvloeden. ‘De wereld heeft veel problemen, maar deze hebben heel weinig te maken met klimaatverandering. Dat Zweden – dat al veel heeft geïnvesteerd in fossielvrije energie, een fossielvrije elektriciteitsproductie heeft en ook een netto CO2–uitstoot heeft die praktisch nul is, als men rekening houdt met de netto groei van het bosareaal – het voortouw neemt met verdere drastische besparingen en riskante en oneconomische investeringen in energie is belachelijk!’

‘Die leiderstrui kan beter worden doorgegeven aan landen als China en de Verenigde Staten of in Europa aan Duitsland en Engeland. Deels heeft men daar meer mogelijkheden wat betreft mensen en middelen en vooral een grotere behoefte om de eigen problemen aan te pakken.’

Lennart Bengtsson citeert een Engels spreekwoord; ‘Charity begins at home.’ In plaats van onze hulpbronnen te verspillen, moeten we eerst en vooral ons eigen land laten profiteren van waar we sterk in zijn, zoals een kosteneffectief en degelijk energiesysteem. In plaats daarvan belast men nu de elektriciteitsverbruikers met allerlei soorten heffingen – kosten die eerder aan onze buurlanden ten goede komen. In het geval van Zweden bijvoorbeeld door de export van gesubsidieerde elektriciteit.’

Hij wijst erop dat de reductie van de uitstoot van 5 miljoen ton CO2 door Zweden tussen 2002 en 2010 overeenkomt met de toename van de Chinese uitstoot in vier dagen tijd. ‘De hele jaarlijkse uitstoot van Zweden is gelijk aan de verhoging van de CO2–uitstoot van China in vijf weken tijd. Dit lijkt niet tot de het publiek door te dringen. Men wil gewoon niet accepteren hoe klein Zweden is in internationaal perspectief.’

Niet evenwichtig

Samengevat kan worden gesteld dat rapporten van het type Wereldbank geen evenwichtig beeld schetsen van de opvattingen van experts in meteorologie en klimatologie, volgens Lennart Bengtsson. ‘In het verwarde debat dat volgde, namen voor zover ik kan beoordelen, geen deskundigen deel, deels vanwege de extreme vooringenomenheid van de media, en deels omdat de deskundigen het rapport niet als serieus beschouwden en het daarom negeerden.’

‘Verstandig lezers zullen zich dat hopelijk realiseren’, zegt Lennart Bengtsson. ‘Maar duidelijk niet de milieuactivisten of wanhopige journalisten die zich door de snel dalende krantenoplagen gedwongen voelen om sensationele stukken te schrijven. In dit geval hebben ze helaas ‘de toekomst achter zich’.’

‘Het feit dat onze planeet is blootgesteld aan onbeduidende opwarming, wat bijna niemand zou hebben opgemerkt wanneer meteorologen niet daarover zouden hebben gerapporteerd, kan geen reden zijn voor een radicale en ongeteste verandering van de wereldeconomie.’

Auteur: Svenolof Karlsson