Van een onzer correspondenten.

Is het klimaatdebat aan het kantelen? Zijn de klimaat’ontkenners’ van een tijd terug inmiddels salonfähig in het klimaatdebat?

Veelzeggend is de oproep van het Sociaal Cultureel Planbureau om ook andersdenkenden over het klimaat serieus te nemen. Kritische burgers horen ook bij Nederland.

Maar een echte kentering moet nog komen.

Voor het denken over klimaatverandering kan Annalen van Klimaathysterie een steen zijn die de stroom van de rivier misschien verlegd. Hoofdauteurs Hans Labohm, Dick Thoenes en Jeroen Hetzler laten met hun klimaat-realistische artikelen een tijdbeeld zien van het debat over klimaatverandering in de laatste twintig jaar.

Het gaat daarbij niet alleen om de klimatologische aspecten van de opwarming van de atmosfeer, zoals de rol van wolken en de invloed van CO2, maar belicht ook de maatschappelijke context: de politieke implicaties, de economische gevolgen, de impact op de beurs van de burger en de rol van de media.

Klimaatrealisme is een vorm van maatschappelijk verzet, niet door wegen te blokkeren – zoals nu zelfs wetenschappers doen – of schilderijen te bekladden. Dit denken is op zoek naar het argument en tegenargument. Het zijn nette mensen met een laptop, die kunnen rekenen en schrijven.

Annalen van de Klimaathysterie is het product van deze attitude. Jarenlang zwoegen tegen de stroom in en het vriendelijk pareren van ordinaire zwartmakerij, zoals een onbewezen link met de fossiele industrie.

Veel onderwerpen die in het brede klimaatdebat van belang zijn worden in de bundel besproken en we zien de oorsprongen van alarmisme-misvattingen voor ons, zoals de wondere wereld van de klimaatmodelleur.

Hoofdauteur Hans Labohm:

‘Het bijna blinde vertrouwen dat wetenschappers hebben gesteld in geavanceerde computermodellen, zelfs als ze gebaseerd zijn op ontoereikende experimentele gegevens, is een fenomeen dat zich snel heeft verspreid naar bijna alle takken van de wetenschap. Bij het gebruik van ingewikkelde modellen is het van het grootste belang om expliciet aan te geven op welke aannames en vereenvoudigingen die modellen zijn gebaseerd. In zijn samenvattingen heeft het IPCC dit nagelaten te vermelden.’

We krijgen de Deense statisticus Bjørn Lomborg in beeld die, als een soort Pieter Omtzigt, aan de poorten rammelt van de wetenschappelijke klimaatorde.

In de bundel zien we een groot aantal artikelen opgenomen van Prof. dr. Dick Thoenes die zijn licht laat schijnen over tal van onderwerpen. Op een eenvoudige, heldere manier weerspreekt hij de bevindingen van het IPCC en spreekt van ‘aannames als absolute waarheden’. Schattingen zijn niet meer dan gissingen en de bijgevoegde waarschijnlijkheden missen volgens hem elke wetenschappelijke basis en zijn daarom misleidend. Ook laakt hij ‘de handel’ in CO2 en de overdreven toekenning van CO2 als humane opwarmer.

Annalen van de Klimaathysterie, een bewerking van de Engelse voorganger, laat de botsingen zien tussen alarmisten en realisten.

Ir. Jeroen Hetzler, de bosbouweconoom en man van getallen, krijgt het aan de stok met Peter Kuipers Munneke over kritieke leveringszekerheid van wind- en zonne-energie, met name bij ziekenhuizen. Ook geeft hij Noordpoolreizigster en klimaatjournalist Bernice Notenboom van katoen over vermeend gebrek aan ijs in de Noordpool in de nabije toekomst.

Hoewel de bundel een aantal grafieken telt, waaronder de vermaledijde hockeystick, is het ook een boek over mensen die het klimaatrealisme als rationele tegenpool in stelling brengen.

Zoals Sonja Boehmer Christiansen, de klimaatrealiste van het eerste uur die al in de jaren 80 inziet dat klimaatwetenschap in het geheel niet neutraal is maar een eigen belang heeft: zelfs het geloof kan in haar ogen een belangrijke factor zijn bij het alarmisme. We zien ook Margaret Thatcher in dat decor van die tijd en als gepromoveerde geleerde ‘global warming’ op de internationale agenda zet, niet omdat ze er veel van weet, maar om zichzelf te profileren. De Iron Lady wil twee vliegen in een klap slaan: rationalisering van de kolenmijnen en de voorrang geven aan kernenergie. Het loopt allemaal anders.

Hoofdauteur Labohm zelf moet trouwens ook onder druk wijken.

We krijgen de Deense statisticus Bjørn Lomborg in beeld die, als een soort Pieter Omtzigt, aan de poorten rammelt van de wetenschappelijke klimaatorde. De angst voor milieurampen is ongegrond, zo bewijst hij in een boek met 2930 voetnoten en een bibliografie van 70 pagina’s. Hij krijgt felle aanvallen op zijn werk, mag geen weerwoord in wetenschappelijke tijdschriften hebben en men wil hem uit zijn functie ontslaan als directeur van zijn instituut van milieubeoordeling. Functie elders…

Wie materiaal voor een speelfilm zoekt: de affaire Lomborg heeft alles in zich, met het aanstekelijke narratief dat de underdog overwint. Uiteindelijk houdt de Deense regering zijn ontslag tegen. Lomborg mocht dit jaar, weliswaar weer onder protest, een lezing verzorgen aan de klimaat-alarmistische TU Delft. Studenten willen gewoon zijn verhaal horen.

Ook andere bijtende controverses passeren de revue in de bundel, zoals de briefwisseling en hoogopgelopen twist tussen econoom Labohm en de ecoloog dr. Jeffrey Harvey. Ach arme wetenschap: de alarmistische professor betoogt dat niet de gangbare 97% van de wetenschappers het met elkaar eens is, maar zelfs 99,9%… Labohm zegt – terugkijkend – hem als opponent te missen.

Klimaatscepticus Labohm zelf, moet trouwens ook onder druk wijken. Zijn uitgesproken mening over klimaatverandering wordt niet gepruimd bij zijn werkgever Clingendael. En ineens is er een hele lange arm die bepaalt dat ‘Labohm daar weg moet.’

Goed dat er nu annalen van zijn: ‘Annalen van de Klimaathysterie’.

***

Annalen van de klimaathysterie is o.a. hier verkrijgbaar.