Jan van Friesland.

De zondagse beschouwing van Jan van Friesland.

Het KNMI bracht deze week de nieuwe klimaatscenario’s voor de toekomst uit. Met door een ‘supercomputer’ doorgerekende scenario’s staat ons volgens het KNMI een sombere toekomst te wachten vol met weersextremen. Meteen was er flinke inhoudelijke kritiek. Niet zozeer in de mainstream media zoals de NOS was deze tegenspraak te vernemen, maar wel op blogs en Twitter. De Amerikaanse klimaatonderzoeker Roger A. Pielke Jr. schreef:

‘Ik zal er niet omheen draaien. In 2023 is het geven van officiële overheidsstatus aan klimaatscenario RCP8.5 wetenschappelijk en beleidsmatig wangedrag. Hierdoor zitten we de rest van het decennium vast aan het gebruik van een niet-plausibel klimaatscenario, zelfs terwijl klimaatexperts beter weten.’

Hoe publieke instituten als het KNMI omgaan met dit soort kritiek komen wij niet te weten.

Goed, Pielke is er maar een. Maar elk argument is er een in de wetenschap. Een bewering kan meedogenloos en venijnig zijn, kan reputaties ruïneren. Kan zelfs een bedreiging zijn voor een instituut. Maar wetenschap is niet iets voor bange mensen.

Wat iemand als Pielke schrijft is – hij kan er naast zitten – belangrijk en elk instituut dat een democratische samenleving wil dienen, zou willen weten of het hout snijdt wat criticasters beweren. Gewoon een antwoord op de vraag: zitten we er naast? Varen we wel goed?

Hoe publieke instituten als het KNMI omgaan met dit soort kritiek komen wij niet te weten. Er is geen spreekuur, geen echte openheid. Alle mooie slogans ten spijt, zoals over de maatschappelijke rol van kennis:

‘Het weer is grillig, de bodem beweegt en het klimaat verandert. Voor onze veiligheid en welvaart moeten we weten welke risico’s en kansen dit oplevert. En: hoe we ons het beste kunnen voorbereiden. Die kennis heeft het KNMI in huis als het nationale kennis- en datacentrum voor weer, klimaat en seismologie. Betrouwbaar, onafhankelijk en gericht op wat Nederland nodig heeft.’

Openheid en eerlijkheid zou een instituut als het KNMI passen. Zo niet, dan gaat het uiteindelijk voor de bijl.

Het KNMI is niet nieuwsgierig naar fundamentele kritiek. Andere criticasters, van wetenschappelijk niveau, vingen ook al bot. Hun publicaties leidden wel tot tot o.a. wetenschappelijke artikelen.

Waar het klimaatbeleid door de overheid vergeven is van de burgerraden en inspraaksessies over het klimaat – ook opnieuw gepropageerd door Verenigd Links en eerder door GroenLinks – vangen deskundigen die verstand van zaken hebben bot bij instituties als het KNMI. Maar met het in vele toonaarden bezongen herstel van vertrouwen in een betrouwbare overheid, zou ook meer openheid en eerlijkheid van een instituut als het KNMI passen. Zo niet, dan gaat het uiteindelijk voor de bijl.

Is er gezonde contra-expertise mogelijk wat een geborgde plek krijgt in de wetenschappelijke discours?

Roger Pielke Jr.

Of moet het allemaal en marge?

Zelfs in de bundel Hundert Autoren gegen Einstein treffen we een bijdrage aan van Prof. dr. A. Hartog die niet ‘tegen’ Einstein is als hij o.a. schrijft:

‘Wij begeren niet in te stemmen met het nadrukkelijke ‘anti’ van deze publicatie, maar willen niettemin met de groep samenwerken om voorbarige conclusies en ongegronde scepsis voor te zijn.’

Hartog kreeg een plek in de bundel en debat.

Pielke over een Koninklijk instituut in verwarring:

Het KNMI zegt in De Telegraaf dat ze het meer plausibele SSP2-4.5 niet beschikbaar willen stellen aan het publiek, uit angst dat het publiek het als plausibeler zal zien: We willen niet dat mensen het tussenscenario als een voorspelling van het KNMI zien. Dat is ongelooflijk.’

Nog even en de burger pikt het niet meer.

***