Het hierboven afgebeelde schip is de Gjøa, het schip waarmee Roald Amundsen met een zeskoppige bemanning tussen 1903 en 1906, als eerste de Noordwest-Passage volbracht. Aha! Dit wordt vast een artikel over klimaat en zeeijs? Mispoes, we gaan het hebben over “less-is-more”. Aan het slot van dit betoog zal misschien duidelijk zijn dat de grootste voorstanders van “consuminderen”, als het op beleid  aankomt de grootse “meerderaars” zijn. En dan niet eens uit kwade opzet, maar gewoon omdat ze de filosofie van “less-is-more” niet begrijpen en niet verinnerlijkt hebben.

Even voor de duidelijkheid: Diederik Samsom (PvdA) is geen proponent van “consuminderen”. In een door consuminderaars zwaar bekritiseerd interview met Milieudefensie (link) toont hij zich een voorstander van groei en technologische oplossingen voor het energie- en milieuvraagstuk. Zijn middenpositie maakt een statement van zijn zijde tijdens de recente hoorzitting van de vaste Kamercommissie VROM extra interessant:

Ik stel tot slot de vraag over de bus versus het amfibievoertuig. Het is natuurlijk mooi gezegd, maar daarmee worden alle onzekerheden bij ons neergelegd en moeten wij beleid maken dat tegen alle onzekerheden kan. Dat bestaat ook niet hoor. De oneindige hoeveelheid geld die daarvoor beschikbaar moet zijn, bestaat namelijk niet. Wij moeten keuzes maken. Ik leg de vraag dus weer terug. Het is leuk om ons te adviseren om iets te maken dat gewoon tegen de onzekerheden van de wetenschap kan, maar volgens mij moeten wij worden geadviseerd om een knoop te kunnen doorhakken. Wij moeten dat op de verstandigste manier kunnen doen. Ik kan niet zoveel met het advies om de bus om te bouwen tot een heel duur ding dat inderdaad zonder problemen de bocht kan uitvliegen. Dat geld hebben wij gewoon niet of dat wil een van ons er niet aan uitgeven, dat kan ook nog. Hebben de heren een voor de politiek iets bruikbaarder advies?

De metafoor van de bus stamt uit vrij heftige woordenwisselingen tijdens klimaatdebatten tussen Samsom en Richard de Mos (PVV). Jeroen van der Sluijs borduurde tijdens de hoorzitting voort op dit thema. Hieronder de passage waarin Van der Sluijs het amfibievoertuig introduceert, die we in bovenstaande quote van Samsom terugzien als zijnde onbetaalbaar want oneindig duur:

Ik heb met belangstelling uw eerdere beraadslagingen gelezen, waarin de metafoor van een snelrijdende bus in de mist werd gebruikt. Daar werd verschillend tegen aangekeken, want wat was nu het gaspedaal en wat de rem! Het lijkt erop dat u op zoek bent naar de perfecte TomTom om u de weg door de mist te laten wijzen. Dat is echter de verkeerde zoektocht, want die TomTom bestaat niet en de wetenschap zal u die ook niet kunnen leveren. U zult dus moeten leren leven met het idee dat de weg misschien wel eens naar rechts zou kunnen buigen of misschien toch naar links. De verschillende scenario’s kunnen wij wel in kaart brengen, waarmee wij de mist in ieder geval inperken tot mogelijke toekomsten in dat onbekende landschap.

Wat moet je doen als die perfecte TomTom niet ontwikkeld kan worden? Je zult je dan moeten afvragen of die bus wel het beste voertuig is. Die bus is namelijk helemaal niet berekend op een onbekend landschap. Je zou dan ook beter kunnen kiezen voor een veerkrachtiger aanpak, bijvoorbeeld door te kiezen voor een amfibievoertuig met rupsbanden. Met zo’n voertuig kun je een onbekend terrein wel aan.

The lost expedition
Diederik Samsom laat na te onderbouwen dat een flexibel “voertuig” (lees: beleid) oneindig duur is. Ik spring nu snel terug naar de Gjøa van Roald Amundsen omdat deze expeditie het mooiste bewijs is dat een kleinschalige kostenefficiënte aanpak in sommige onzekere onvoorspelbare situaties succes oplevert, terwijl een “oneindig dure” of “flink dure” aanpak de mist in gaat. In 1845 was namelijk al eens een grote expeditie gewaagd door John Franklin. Hij hees de zeilen op twee schepen van respectievelijk 350 ton en 380 ton (de Gjøa woog 48 ton). Zijn bemanning bestond uit 24 officieren en 110 manschappen (Gjøa 7 man). Ze voerden proviand mee voor 3 jaar (Gjøa: live of the land). Wil je weten wat er met de peperdure Franklin-expeditie gebeurde? Lees dan het Wikipedia-artikel over The lost expedition.

Lees verder waarom de milieubeweging het uitstekend heeft gedaan!

Voor een habbekrats naar Mars
Het voorbeeld van de geslaagde kleinschalige expeditie – Amundsen volgde een live of the land-tactiek op basis van de Inuït overgenomen survival skills – versus de peperdure in een ijzige Bermuda-driehoek verdwenen expeditie is afkomstig uit The Case for Mars – The Plan to Settle the Red Planet and Why We Must van ruimtevaartingenieur Robert Zubrin. Hij beweert dat particuliere bedrijven voor 20 tot 30 miljard dollar per direct een bemande reis naar Mars kunnen optuigen versus de honderden miljarden compleet zinloos aan het internationale ruimtestation verspilde dollars – Zubrin vergelijkt het met Columbus die 100 km voor de Spaanse kust een schip drijvende houdt – en ook versus de honderden miljarden dollars van de officiële kostenraming van NASA voor een bemande Marsreis. Dat is nog eens less is more!

Paul van Riper én Greenpeace
En er zijn vele andere voorbeelden. David versus Goliath. Wie niet sterk is (wie geen oneindige fondsen heeft) die moet slim zijn. Wikkie de Viking. Onze bloedeigen geuzenoorlog. Fascinerend is ook het verhaal van de gepensioneerde generaal Paul van Riper. In de duurste Amerikaanse
war game ooit, de Millenium Challenge 2002 – kosten $ 235 miljoen, 13.000 deelnemende manschappen – wist de generaal als virtuele aanvoerder van een kleine Arabische schurkenstaat een hele reeks grote Amerikaanse marineschepen tot zinken te brengen. Het spel werd vervolgens zodanig gemanipuleerd dat het Pentagon alsnog de overwinning kon claimen (zie artikel). Ook het kapitalisme met zijn fijngevoelige marktwerking versus de lompe socialistische planeconomie is een voorbeeld van less (regelgeving en bureaucratie) is more (welvaart en groei). En Diederik – hoe kon ik het vergeten – ook Greenpeace is een klassiek voorbeeld van less is more. Doe ze het geintje met de Brent Spar maar eens na!

Amundsen/Zubrin paradigma
Wat heeft dit nu allemaal met effectief klimaatbeleid te maken? Om te beginnen sluit ik me geheel aan bij Theo Wolters die onlangs op deze site betoogde dat een juist toegepast voorzorgsprincipe ingesteld moet zijn op zowel het risico van aanhoudende opwarming als het risico van aanhoudende afkoeling (link). Wordt ons guerrilla-amfibievoertuig daarmee oneindig X oneindig duur? Het is maar in welke richting je het zoekt. Als bureaucraat/technocraat – sorry Diederik – denk je meteen in sferen van een über-IPCC, een über-VN en überhoge dijken.  Ga je uit van Amundsen/Zubrin paradigma, dan gaan je gedachten automatisch uit naar iets elegants, iets lichts, iets zeer kostenefficiënts. En wie zoekt die zal vinden!

Nietsdoen?
Het is eigenlijk niet de bedoeling dat dit artikel antwoord gaat geven op hoe dat amfibievoertuig eruit moet zien. Het is een stimulans voor politici eens vanuit hetAmundsen/Zubrin-paradigma te gaan denken en met creatieve lichtvoetige oplossingen te komen. Toch wil ik drie tipjes van de sluier oplichten: het belangrijkste onderdeel van het voertuig zal bestaan uit “nietsdoen”. Hoe dat zit heb ik al in voorjaar 2008 beschreven in het artikel “Nietsdoen is het beste klimaatbeleid“. Dat is toch boerenverstand: als het gevaarlijk warmer kan worden, maar evengoed gevaarlijk kouder, dan wacht je af. Je dropt enkele commandotroepen over de linies. Je zet je scherpziende waakzame wachters in het kraaiennest. Kortom: Bjørn Lomborgs 0,2 % van BNP voor groene R&D, maar dan 0,1% voor opwarmingsmitigatie en -adaptatie en 0,1% voor afkoelingsmitigatie en -adaptatie.

Plicht gedaan
Het derde tipje is dat de politiek moet gaan spieden op plotselinge kansen om met ultragoedkope “guerilla marketing” de democratische massa te mobiliseren. Komt Al Gore met zijn film, dan haak je hier vol op in met opwarmingspropaganda en kijk je of de massa voldoende gemobiliseerd kan worden om maatschappelijk echt iets te veranderen. Verdomd, al schrijvende realiseer ik me, dat ik voor het eerst denk: de milieulobby heeft haar plicht gedaan! Ze hebben een noodzakelijke massapsychologische test gedaan of er in nationale democratieën, de Brusselse oligarchie of de VN-bureaucratie überhaupt echte beweging (change!) te krijgen is. Nu we sinds Kopenhagen weten dat de tijd hiervoor níet rijp is en we zien dat alleen maffiose witteboordencriminelen garen spinnen bij onze goed bedoelde klimaatpolitiek (zie artikel), moeten we dit experiment net als de Prohibition-experimenten ootmoedig staken.

Deze gedachte consequent doorgevoerd is het nu ieders plicht om de hefboom van de huidige afkoelende klimaatfase en de financieel-economische crisis te benutten om te zien of we de massa weer even snel van haar CO2-opwarmingsgeloof af kunnen krijgen. Niet om een sceptische eindoverwinning te behalen of om “alarmistje te pesten” (we weten tenslotte nog niet wat het klimaat gaat doen – de sceptische en alarmistische wetenschappers beginnen dankzij Climategate pas net hun theorieën in een open en eerlijke dialoog te testen). Nee, gewoon om marketingtechnisch warm te draaien! Om straks snel en definitief en met de nu beproefde propagandamethoden compleet te kunnen mobiliseren als ofwel:

A) sneeuw en ijs over Scandinavië weer onze kant op komen en oogsten wereldwijd mislukken met exploderende voedselprijzen, hongersnoden en opstanden als gevolg ofwel; we spreken dan over een nieuwe Kleine IJstijd of het begin van een grote IJstijd, waarbij het verschil tussen beide alleen na verloop van tientallen tot honderden jaren zichtbaar zal zijn. Het vervelende van dit scenario is, dat er  momenteel amper technieken bekend zijn waarmee we een significante afkoeling kunnen stoppen; met bulldozers de witte sneeuwvelden donkerbruin modderig houden is het enige wat ik wel eens heb gelezen; of CO2 een opwarmingskandidaat is weten we momenteel niet, dat ziet er eerder sombertjes uit;

C) eindelijk een hard wetenschappelijk bewijs voor een hoge CO2-klimaatgevoeligheid “ondersteund” door snelle teruggekeerde opwarming waarbij de eerste catastrofale tipping points worden bereikt. Want wie is er nog zo naïef na de genocides van de twintigste eeuw – inclusief het genocidale verbod op DDT – dat we de mondiale economie én geopolitiek op een compleet nieuwe leest kunnen schoeien zonder tenminste eerst collectief wakker te schrikken van enkele concrete klimaatcatastrofes met een tastbare en concrete body count van laten we zeggen enkele malen de Aziatische tsunami. Is dit onmenselijk? Vraag je dan eens af hoe “menselijk” het is om voor miljarden euro’s klimaatconferenties op te tuigen en windmolens te planten als je met datzelfde geld zowat heel Afrika schoon drinkwater, goede medische zorg en basisonderwijs kunt bieden (zie Copenhagenconsensus.org);

Waarbij ik toch ook de gezellige optie B) even wil noemen: het scenario dat het gewoon lekker catastrofeloos één of twee graadjes warmer wordt met betere oogsten en meer biodiversiteit als gevolg.

Spotgoedkoop
Het bovenstaande is niet cynisch bedoeld. Vergelijk het eens met de situatie ten tijde van de Koude Oorlog waarin onze overheid (veel te) gedetailleerde evacuatieplannen voor de IJssellinie had klaarliggen, waarbij ook een aanzienlijk verlies aan mensenlevens was ingecalculeerd. Daar moeten we bij een complete geopolitieke en economische revolutie (die bij bovenstaande door het IPCC-niet doorgerekende scenario’s A en B gelukkig kan uitblijven) ook niet kinderachtig over doen. En die vergelijking met de Koude Oorlog is zo gek nog niet. Vervang in de volgende gevleugelde quote van Winston Curchill “Rusland” eens door “klimaat”:

I cannot forecast to you the action of Russia. It is a riddle, wrapped in a mystery, inside an enigma. Bron

vrij vertaald:

Ik kan de volgende stap van het klimaat niet voorspellen, oceanen en biosfeer vormen een raadsel, gewikkeld in een atmosferisch mysterie, binnen het stralingsveld van een enigmatische zon.

Star Wars
Als de volgende stappen van het klimaat dus net zo onvoorspelbaar zijn als de uitkomst van de Koude Oorlog bezien vanuit laten we zeggen de zestiger jaren, dan moeten we dus structuren opzetten voor flexibele respons in beide richtingen. En dan dus niet met het Samsoniaanse prijskaartje van
oneindig in het kwadraat, maar met het spotgoedkope prijskaartje van Feynmanniaans-nietsdoen + 0,2% voor “warme, neutrale en koude” R&D + een bundel van goedkope beproefde guerrilla marketing technieken. Denk bij die laatste kostenpost aan “warme, neutrale en koude” propagandafilms à la Al Gore (leg de scripts alvast op de plank) en “warme, neutrale en koude” SMOM-achtige subsidies (10 miljoen per jaar is een koopje). De Koude Oorlog is ook niet gewonnen door de peperdure realisatie van Reagan’s Star Wars, maar door de veel goedkopere PR (=tamtam) rondom het plan van Star Wars samen met het imploderen van de Soviet economieën (vgl. de implosie van de gedroomde consensus over klimaatwetenschap).

Vleugels
Kortom: Jeroen van der Sluijs bedankt voor de analogie van de bus en het amfibievoertuig! We weten nu dat we niet in een dure bus hoeven te zitten, dat we al helemaal geen peperdure überbus hoeven aan te schaffen, maar dat we een heel goedkoop en licht amfibievoertuig mét vleugels nodig hebben. Die vleugels zijn overdrachtelijk bedoeld: om überhaupt creatief te kunnen brainstormen over lichtvoetige, goedkope oplossingen en interventies moeten we eerst onze geest van Vendrikaanse zwaarte afleggen. Diederik Samsom aan wie deze les is gericht, verdient een groot compliment voor de mate waarin hij zijn geest al vleugels heeft gegeven op klimaatgebied. Een kleine aanmoediging nog: vlieg!

Hieronder afsluitend de volledige hoorzitting-discussie rondom het amfibievoertuig.

De heer Van der Sluijs: Een goede illustratie van een van de punten die ik wilde maken!

Voorzitter. Het gevolg van mijn analyse is dat meer wetenschap en betere procedures geen oplossing zijn voor de controverse over klimaatwetenschap. U moet niet verwachten dat dit probleem verdwijnt door een perfecte procedure of door een betere organisatie. Wat er wel nodig is, is dat het primaat bij het klimaatbeleid weer bij de politiek komt te liggen. Er moet met andere woorden minder worden gedelegeerd naar de wetenschap.

Ik heb met belangstelling uw eerdere beraadslagingen gelezen, waarin de metafoor van een snelrijdende bus in de mist werd gebruikt. Daar werd verschillend tegen aangekeken, want wat was nu het gaspedaal en wat de rem! Het lijkt erop dat u op zoek bent naar de perfecte TomTom om u de weg door de mist te laten wijzen. Dat is echter de verkeerde zoektocht, want die TomTom bestaat niet en de wetenschap zal u die ook niet kunnen leveren. U zult dus moeten leren leven met het idee dat de weg misschien wel eens naar rechts zou kunnen buigen of misschien toch naar links. De verschillende scenario’s kunnen wij wel in kaart brengen, waarmee wij de mist in ieder geval inperken tot mogelijke toekomsten in dat onbekende landschap.

Wat moet je doen als die perfecte TomTom niet ontwikkeld kan worden? Je zult je dan moeten afvragen of die bus wel het beste voertuig is. Die bus is namelijk helemaal niet berekend op een onbekend landschap. Je zou dan ook beter kunnen kiezen voor een veerkrachtiger aanpak, bijvoorbeeld door te kiezen voor een amfibievoertuig met rupsbanden. Met zo’n voertuig kun je een onbekend terrein wel aan. Door te kiezen voor beleid dat de onzekerheid aan boord neemt, hoef je niet langer de wetenschap om zekerheid te vragen, zekerheid die bovendien wordt ingeperkt door een kunstmatige consensus. Je kiest er dan voor om te gaan werken met de hele range aan mogelijke, toekomstige klimaatscenario’s. Daarbij wordt het de vraag of je het beleid niet zo kunt richten dat het onder al die mogelijke uitkomsten werkt.

Je moet met andere woorden op een andere manier over beleid gaan nadenken, waarbij je de onzekerheid een centrale rol geeft. Verder zul je de wetenschap zo moeten organiseren dat men niet alleen de feiten op een rij zet, maar ook de onzekerheden verkent en vooral dat men de relevantie daarvan duidt. Ik heb hier een quote van Bert Bolin uit 1994. Hij leeft niet meer, maar hij is ooit een belangrijke oprichter geweest van het IPCC. Hij was in de beginperiode de voorzitter. In het eerste rapport was het IPCC nog heel optimistisch over het terugdringen van onzekerheden, maar in 1994 zei hij over de doelstelling van het terugdringen van onzekerheid: “We cannot be certain that this can be achieved easily and we know it will take time. Since the fundamentally chaotic climate system is predictable only to a certain degree, our research achievements will always remain uncertain.” Hij zei dit al in 1994. Hij gaat verder met: “Exploring the significance and characteristics of this uncertainty is a fundamental challenge to the scientific community.” Dat zou dus in feite de hoofdtaak moeten worden van het IPCC, terwijl het in het klassieke technocratische model de hoofdtaak van het IPCC is om de juiste feiten vast te stellen en die zo precies mogelijk te presenteren. In plaats van vragen om het ultieme antwoord moeten wij vragen naar de onzekerheden, de significantie daarvan voor het beleid en het opnemen ervan in het beleid. In plaats van de robuustheid te zoeken in de wetenschap, wat het IPCC-model is, moeten wij de robuustheid zoeken in het beleid; een beleid dat werkt onder alle mogelijke toekomstige ontwikkelingen binnen de onzekerheden die kunnen worden vastgesteld. Ik pleit voor die verschuiving.

De heer Samsom (PvdA): Voorzitter. Ik kom graag te spreken over de feiten en de onzekerheden op wetenschappelijk gebied bij de eerste twee sprekers die daarmee ervaring hebben. Twee dingen zijn mij opgevallen in de laatste uren en in de reader die wij hebben ontvangen. Allereerst de stelling dat de temperatuurdata waarover wij beschikken, de drie grote datasets, bij elkaar een vrij smalle basis vormen om op te werken. Al lezende daarover, kan ik mij daar iets bij voorstellen. Ik ben benieuwd hoe zij daartegen aankijken, los van de onderlinge afhankelijkheid ervan, hoewel dat wel een rol speelt; die drie datasets zijn helemaal niet zo onafhankelijk van elkaar. Vanochtend kwam al even ter sprake dat het urban heat effect een belangrijke rol speelt. Ik ben ook benieuwd naar de assessment van de heren daarvan want zij hebben in de expert reviews vast daarover meegepraat, in welke zin dan ook.

Het andere punt dat mij opviel, betreft het ervaringsessay van de heer Ross McKitrick getiteld Circling the bandwagons, waarin hij vertelt over de manier waarop hij heeft geprobeerd om kritiek te leveren op bepaalde aannames. Overigens overlapt dit voor een deel mijn eerste punt over databesmetting. Het is een nogal tranentrekkend verhaal. Is de heer McKitrick nu gewoon een watje en moet hij beter zijn best doen en meer volharden? Is dit normaal voor de wetenschap? Ik kan mij daar iets bij voorstellen, maar ik ben zelf niet actief in die kringen dus kan ik dat niet zo goed beoordelen. Ik ben benieuwd naar het oordeel van de heren over dat type proces, dus dat je bij zeven tijdschriften iets inlevert en de plaatsing steeds geweigerd wordt. Het is te vergelijken met een Kamerlid dat bij zeven kranten een opiniestuk aanbiedt, dat het ongetwijfeld ongelooflijk goed vindt, en zeven keer wordt afgewezen; en dan uitkomen bij De Gelderlander. In dit geval was het hem uiteindelijk wel gelukt, maar ik ben toch benieuwd. Ik kan het namelijk niet zo goed beoordelen. De heren kunnen dat wel want zij zitten daar middenin.

Ik stel tot slot de vraag over de bus versus het amfibievoertuig. Het is natuurlijk mooi gezegd, maar daarmee worden alle onzekerheden bij ons neergelegd en moeten wij beleid maken dat tegen alle onzekerheden kan. Dat bestaat ook niet hoor. De oneindige hoeveelheid geld die daarvoor beschikbaar moet zijn, bestaat namelijk niet. Wij moeten keuzes maken. Ik leg de vraag dus weer terug. Het is leuk om ons te adviseren om iets te maken dat gewoon tegen de onzekerheden van de wetenschap kan, maar volgens mij moeten wij worden geadviseerd om een knoop te kunnen doorhakken. Wij moeten dat op de verstandigste manier kunnen doen. Ik kan niet zoveel met het advies om de bus om te bouwen tot een heel duur ding dat inderdaad zonder problemen de bocht kan uitvliegen. Dat geld hebben wij gewoon niet of dat wil een van ons er niet aan uitgeven, dat kan ook nog. Hebben de heren een voor de politiek iets bruikbaarder advies?

De heer De Mos: Ik heb nog een vraag voor de heer Van der Sluijs. Daarbij kom ik even terug op het amfibievoertuig. Vindt u ook dat het amfibievoertuig klaar moet zijn om veerkrachtig te reageren, wanneer, zoals bijvoorbeeld de heer Van Geel beweert, binnen enkele jaren blijkt dat CO2 niets doet en de zon alles?

De heer Van der Sluijs: Voorzitter. Moeten wij ook rekening houden met het scenario dat CO2 een beperkte rol speelt en de zon de hoofdrol? Ja, natuurlijk moeten wij daar rekening mee houden. Dat is ook een van de zaken waarnaar je moet kijken in zo’n voorzorg- en risicobenadering. In een eerdere sessie gaf de heer Van Geel aan dat kleine variaties in de zonne-intensiteit via allerlei versterkende mechanismen in het systeem konden leiden tot zeer grote wijzigingen elders in het systeem. Dat geldt dan natuurlijk ook voor CO2. Het is dan opmerkelijk dat wij tegelijkertijd horen van de Rörsch en zijn collega’s dat er een stabiliserend mechanisme in de dampkring werkzaam zou zijn, waarbij via de watercyclus elke verstoring van het klimaat wordt tegengewerkt en wij altijd een stabiel klimaat zouden houden, onafhankelijk van wat je eraan verandert. Op dat punt spreken de heer Rörsch en de heer Van Geel elkaar volledig tegen, want als dat voor een forcering van de zon niet stabiliserend werkt maar voor CO2 wel, ben ik de draad volledig kwijt. Dus ofwel er is een stabiliserend mechanisme of niet. Als de zon versterkt wordt en CO2 niet, is er iets heel raars aan de hand in datzelfde systeem. Dus wij moeten ook wel naar consistentie kijken.

Samenvattend, je moet wel de diversiteit in de kennisbasis vergroten en het hele spectrum van wetenschappelijke interpretaties meenemen, dus ook de kennis die wij vandaag zoal de revue hebben horen passeren. Je moet ook zoeken naar de robuustheid in de kennis, en onzekerheid en kritiek meenemen in de analyse, in de synthese en in de afweging. Daar is dan ook nog een verbeterslag mogelijk. Dus kwaliteitsanalyse moet dan centraal komen te staan, maar daar moet dan ook een taal bij komen die ons kan helpen om de beperkingen van de kennis en het niveau van evidentie goed te communiceren. Dat hebben wij nu niet. Het IPCC heeft een taal die “likelyhood-terminologie” gebruikt en die een vorm suggereert van zekerheid, in de trant van “very likely” en dergelijke. Daar staan ook vaak percentages bij, alsof wij dat in kwantitatieve termen kunnen uitdrukken, terwijl ik geen wetenschappelijke methode ken waarmee die termen objectief kunnen worden vastgesteld. Het zijn judgements van experts, die je eigenlijk moet vervangen door een aanduiding van de mate van evidentie zoals die op dat moment wordt gezien, zonder daarbij een uitspraak te doen over de waarschijnlijkheid of dat ook waar is of niet. Want volgens mij moet je daar agnostisch over zijn en kun je daar op heel veel terreinen nog niet echt iets eenduidigs over zeggen.

Verder: gebruik informatie afkomstig van anderen dan wetenschappelijke bronnen, maar ga daar wel heel zorgvuldig mee om. Je moet de wetenschap niet zo ver democratiseren dat je kunt gaan stemmen over de lichtsnelheid; daarvan begrijpt iedereen dat het absurd is, maar het is wel belangrijk om niet-wetenschappelijke bronnen van kennis wel te betrekken in het verbeteren van de kwaliteit van de wetenschappelijke studies. Houd dan wel een strikte scheiding tussen de competenties van wetenschappers en niet-wetenschappers, maar laat niet-wetenschappers wel ook meedoen in de kennisproductie.

Het belangrijkst is denk ik: verhelder de waarden die een rol spelen in het onderzoek en in de politieke context waarbinnen het klimaatonderzoek steeds meer is ingekaderd. Dus voor die waardeverheldering moet meer aandacht komen. Daarvoor moeten technieken worden ontwikkeld. Dat moet ook binnen het IPCC een centralere rol krijgen.

Print Friendly, PDF & Email