Klimaatverandering : meting van temperaturen

Dick Thoenes.

Er is onlangs een interessant boek over klimaatverandering verschenen, getiteld ‘Climate Change: The Facts 2017’, uitgegeven door ‘The Institute of Public Affairs’ (Melbourne), een Australische think tank. Ik wil dit graag onder de aandacht brengen van onze Cimategate.nl-lezers. Het boek bestaat uit 22 hoofdstukken en dat zijn eigenlijk aparte artikelen en essays. Sommige daarvan zijn ook elders gepubliceerd.

Ze zijn geschreven door bekende wetenschappers en wetenschapsjournalisten.

Het boek is verkrijgbaar bij amazon.com en bij bol.com, ook als e-book.

Ik wil enkele belangrijke gedachten uit dit boek bespreken. Ik verdeel ze in vier hoofdthema’s:

  1. De meting van temperaturen.
  2. De invloed van CO2.
  3. Oorzaken van klimaatveranderingen.
  4. Maatschappelijke aspecten.

Ik wil deze thema’s in vier afleveringen bespreken. Hier en daar heb ik mijn commentaar toegevoegd. Dit staat cursief.

Deel 1: De meting van temperaturen

Zie de hoofdstukken 5 (Anthony Watts), 6 (Tony Heller en Jennifer Marohasy), 7 (Tom Quirk), 8 (Joanne Nova), 9 (Jennifer Marohasy), 10 (Jennifer Marohasy en Jaco Vlok) en 12 (Roy Spencer).

Wanneer we spreken over “de temperatuur” kunnen we daar van alles mee bedoelen. Allereerst kunnen we een momentane plaatselijke temperatuur bedoelen, die we op één moment met één thermometer bepalen. Dan kunnen we spreken over een gemiddelde plaatselijke temperatuur overdag of ’s nachts, of wel een gemiddelde etmaaltemperatuur. Ook een gemiddelde jaartemperatuur kan interessant zijn. We kunnen ook de gemiddelde temperatuur van een streek of land bedoelen, waarbij we weer onderscheid moeten maken tussen dag en nacht en tussen de seizoenen.

Wanneer we over ‘ klimaatverandering’ praten en vaststellen dat het bijvoorbeeld op de aarde warmer of kouder wordt, dan slaat dat op een gemiddelde wereldtemperatuur, gemiddeld over de gehele aardbol, over de seizoenen en over dag en nacht. De bepaling daarvan is buitengewoon ingewikkeld, en leidt tot vele controverses en onzekerheden.

Velen denken misschien dat het meten van de temperatuur van de lucht een eenvoudige zaak is, maar dat is bepaald niet het geval. Allereerst is er het technische probleem van een goede meting, zonder invloed van zonnestraling en van omgevingseffecten. Men dient de thermometer op 1,5 meter hoogte te hangen, in de schaduw, in de wind, liefst boven een grasveld, van boven afgedekt, ver van muren en van verharde wegdekken. Tegenwoordig gebruikt men daarvoor de ‘Stevenson-hut’, een houten kastje met jaloezieën. (Zie bijvoorbeeld hier.)

Als wij thuis een thermometer tegen de buitenwand van onze woning hangen, dan wijst hij in principe overdag een te hoge temperatuur aan (ook als hij in de schaduw hangt) en ’s nachts een te lage, vooral bij helder weer.

Interessant zijn ook de volgende waarnemingen: Het kan zijn dat in een heldere winternacht de voorruit van de auto bevriest terwijl de temperatuur van de lucht steeds boven de nul graden was. Ook kan het gebeuren dat de voorruit juist niet bevriest bij een luchttemperatuur onder nul, wanneer de auto naast een groot gebouw staat, waarbij de voorruit ‘kijkt’ naar dat gebouw. Het blijkt dus dat de temperatuur van een voorwerp mede wordt bepaald door de temperatuur van de oppervlakken waar hij naar ‘kijkt’. Een warm oppervlak straalt warmte uit, een koud oppervlak absorbeert juist straling en koelt dus het stralende voorwerp af.

Nu worden er in een land als de USA door duizenden amateurs temperatuurmetingen gedaan, die dan op een centraal punt worden verzameld en bewerkt. De resultaten daarvan worden gebruikt door het IPCC. Bij een onderzoek in Amerika is gebleken dat slechts een fractie (ongeveer 10%) van de metingen volgens de regels wordt uitgevoerd. Toen men de resultaten van de ‘goede’ meetstations apart onderzocht, bleek dat deze geen temperatuurstijging toonden in de laatste helft van de twintigste eeuw, en de ‘slechte’ wel. Dat komt omdat afwijkingen van de normen meestal leiden tot te hoge gemeten temperaturen. Een van de belangrijkste is de aanwezigheid van muren die zonnewarmte opnemen en uitstralen, ook naar de thermometer. Omdat overal de bebouwing toeneemt, is dit effect op veel plaatsen sterker geworden. Veel meetstations die ooit op het platteland lagen, zijn nu omgeven door bebouwing. Men spreekt in dit verband van het ‘Urban Heat Island Effect’ (UHI). Het blijkt dat het in grote steden enkele graden warmer kan zijn dan in het omliggende platteland. Iedereen die wel eens in de zomer in New York is geweest, kent dit effect. Op veel plaatsen is dit effect ongeveer 1 – 5 °C, maar het neemt in het algemeen in de tijd toe.

We moeten hierbij wel onderscheid maken tussen twee verschillende oorzaken: door de aanwezigheid van gebouwen wordt zonne-energie vastgehouden. De muren stralen naar de thermometer waardoor de temperatuur van de thermometer wordt verhoogd ten opzichte van de luchttemperatuur. Een heel ander effect is dat er door het verbruik van energie, voor verwarming, transport en industrie, extra warmte wordt ontwikkeld. Alle gebruikte energie wordt uiteindelijk immers in warmte omgezet. Dit gebeurt vooral in stedelijke agglomeraties en daardoor stijgt zelfs ook de gemiddelde wereldtemperatuur. Dit draagt dus in feite bij aan man-made global warming. We kunnen dit effect berekenen omdat we immers het totale energieverbruik kennen (zie deel 3).

Opvallend is nu dat het UHI-effect op veel plaatsen in de loop der jaren sterk is toegenomen. Anthony Watts laat zien dat bijvoorbeeld de temperatuur op O’Hare Airport (Chicago) in 50 jaar ruim 1 °C is gestegen. De gemiddelde temperatuur in Las Vegas (Nevada) steeg ongeveer 2 °C, maar het bleek dat die stijging geheel veroorzaakt werd door stijging van de minimumtemperaturen van 4 °C, terwijl de gemiddelde maximumtemperaturen ongeveer dezelfde bleven.

We moeten hierbij bedenken dat de wereldbevolking is toegenomen van 2,5 miljard in 1950 tot 7 miljard nu. Verder zijn de activiteiten waarbij energie wordt verbruikt per persoon aanzienlijk toegenomen.

In 1975 waren er in de wereld 3 stedelijke agglomeraties met meer dan 10 miljoen inwoners. Nu zijn het er 36 (Wikipedia). Het UHI-effect moet dus wel steeds sneller toenemen.

Het grote probleem is nu dat er geen goede methoden bestaan om in de metingen correctie aan te brengen voor het eerste effect, namelijk dat er door het UHI-effect te hoge temperaturen worden gemeten. Het enige dat men eigenlijk kan doen om alleen die metingen nog te gebruiken die op werkelijk afgelegen (‘pristine’) plaatsen zijn bepaald. Maar dat gebeurt gewoonlijk niet.

Een heel ander probleem is de verzameling van alle van meetgegevens en de verwerking daarvan door centrale bureaus (zoals NOAA en NASA). Hiermee worden tijdseries bewerkt. Een methode heet ‘homogeniseren’, wat er in feite op neer komt dat vroegere gemeten temperaturen worden verlaagd met de bedoeling om een UHI-effect uit het verleden te compenseren. Waar bijvoorbeeld uit de metingen zelf volgde dat de temperatuur over langere tijd constant bleef (of daalde) blijkt er na “homogeniseren” een stijging te zijn geweest. De zo aangetoonde opwarming is dus het gevolg van manipulatie van gegevens. Dit gebeurt in de meeste landen. In Australië is dit uitgebreid onderzocht door Jennifer Marohasy c.s. De resultaten van haar onderzoek zijn ronduit schokkend.

Uit de studie van Marohasy blijkt verder dat de warmste jaren in Amerika in de twintigste eeuw in de jaren ’30 vielen.

In die tijd heerste er ook een groet droogte in het Midden Westen, dat geleid heeft tot een enorme trek naar Californië, vooral vanuit Oklahoma. Dat is mooi beschreven in het boek “The Grapes of Wrath” van John Steinbeck.

Volgens de officiële gecorrigeerde cijfers vallen de warmste jaren echter allemaal in de periode na 1990.

In Nederland heeft men onlangs vastgesteld dat de beruchte zomer van 1947 (de warmste ooit) toch eigenlijk niet de warmste was, maar dat sommige zomers na 1990 warmer waren. Iedereen die zich de zomer van 1947 herinnert weet dat dat niet waar is.

Ik moet hier nog iets belangrijks aan toevoegen. Een ‘gemiddelde temperatuur’ van een systeem waarbinnen variaties optreden bestaat feitelijk niet. Volgens de thermodynamica is temperatuur geen extensieve maar een intensieve grootheid. Dat betekent dat er geen ‘hoeveelheden temperatuur’ bestaan en dat je temperaturen niet kunt optellen en dus ook niet kunt middelen (zoals wel kan bij hoeveelheden massa of energie). Zo kan een gemiddelde temperatuur die men voor een systeem heeft bepaald vanzelf veranderen als er in het systeem bijvoorbeeld stromingen optreden.

Voorbeeld: Er komen op verschillende punten op het aardoppervlak enorm verschillende temperaturen voor. Vooral boven woestijnen kunnen die waarden bereiken van meer dan 50 °C. Wanner er nu sterke winden opsteken wordt de warme lucht vermengd met koudere, zodat de temperatuurpieken worden vereffend. Ten gevolge daarvan zal de gemiddelde temperatuur van de atmosfeer iets toenemen. Dit wordt veroorzaakt door het niet-lineaire verband tussen straling en temperatuur (dat betekent dat bij hogere temperatuur de straling meer dan evenredig toeneemt).

Ander voorbeeld: Stel dat er over een groot gebied met droge lucht een gemiddelde temperatuur heerst van 20 °C. Binnen dat gebied bevindt zich een groot wateroppervlak (bijv. een meer). Nu steekt de wind op, die over het meer gaat waaien. Dan daalt de luchttemperatuur vanwege de verbruikte verdampingswarmte tot onder de 20 °C.

Praat men over de temperatuur van een stuk land of streek dan heeft men het probleem van de in de tijd wisselende temperaturen (door wisselende weersomstandigheden) en de invloed van plaatselijke temperatuurvariaties. Wil men de temperatuur over een groter gebied middelen dan krijgt men te maken met het interpoleren van temperaturen over gebieden waar geen metingen zijn gedaan. Bij het middelen van temperaturen over de gehele aarde speelt dit een belangrijke rol. Er bestaan gebieden van 500 x 500 km waarbinnen geen meetstations zijn. Het is goed mogelijk dat er binnen zo’n groot gebied temperatuur-pieken of -dalen optreden waar men geen weet van heeft (zie Joanne Nova in hoofdstuk 8).

Verder kunnen er in de aardatmosfeer temperatuurverschillen optreden van meer dan 100 graden, bijvoorbeeld tussen Arabië en Antarctica. Een speciaal probleem is natuurlijk het meten van temperaturen boven de oceanen (70% van het aardoppervlak). Onnauwkeurigheden in de metingen van extreme temperaturen kunnen een belangrijke invloed hebben op de bepaalde gemiddelden.

Anthony Watts merkt op dat we nog niet goed onderscheid kunnen maken tussen de oorzaken van bepaalde temperatuurstijgingen. Die kunnen bijvoorbeeld zijn:

  • Een toegenomen CO2-gehalte van de atmosfeer (zie deel 2).
  • Natuurlijk effecten (zie deel 3).
  • Een toegenomen energieverbruik leidende tot meer warmteontwikkeling.
  • Verandering van grondgebruik en een toegenomen UHI-effect.
  • Bewerking van de meetresultaten zoals “homogenisering”.

We weten niet welk deel van de bepaalde opwarming veroorzaakt wordt door welke factor.

Joanne Nova wijst in hoofdstuk 8 nog op de effecten van “homogenisering”, waardoor temperaturen in het verleden werden bijgesteld (soms wel 2 °C) waardoor kunstmatige opwarmingstrends werden gefabriceerd.

Roy Spencer, de grote deskundige op het gebied van temperatuurmetingen met satellieten, spreekt over de verschillen tussen satelliet-metingen en grondmetingen. Met satellietmetingen bepaalt men de gemiddelde temperatuur van de onderste luchtlaag, en niet die vlak bij de grond. Ze hebben wel het enorme voordeel dat werkelijke wereldgemiddelden kunnen worden bepaald en dat ze niet lijden onder storende effecten zoals UHI. Bewerkingen zoals “homogeniseren” zijn niet nodig. Satellietmetingen zijn daardoor inderdaad veel betrouwbaarder. Ze werden echter pas toegepast sinds 1979.

Zeer interessant zijn de grote verschillen tussen de temperatuur/tijdlijnen die met satellieten werden bepaald en die welke door klimaatmodellen werden voorspeld. Van 1979-2015 was de met satellieten gemeten wereldwijde temperatuurstijging 0,2 °C, en de gemiddelde stijging voorspeld voor dezelfde periode door 102 klimaatmodellen was 0,7 °C, dus 3,5 maal zoveel. Dit lijkt mij dodelijk voor de klimaatmodellen.

Conclusie

Meting van een wereldgemiddelde temperatuur is een moeilijke opgave. Aan de getallen die zo worden gevonden zitten verschillende soorten van onnauwkeurigheden. De eerste betreft de betrouwbaarheid van de metingen zelf. Vervolgens bestaat het probleem van het bepalen van een wereldgemiddelde. Het bepalen van temperatuurveranderingen in de tijd biedt weer extra moeilijkheden. De daarbij gebruikte techniek van ‘homogenisering’ is op zijn minst een punt van debat. Nog moeilijker is om een bepaalde temperatuurverandering toe te schrijven aan een bepaalde oorzaak.

Mijn eigen conclusie is dat het niet mogelijk is om een verandering van de gemiddelde temperatuur van de aardatmosfeer te bepalen op een halve of een hele graad nauwkeurig. En dat betekent dat temperatuurstijgingen van enkele tienden van een graad, zoals gerapporteerd worden over het laatste kwart van de vorige eeuw, feitelijk niet relevant zijn (dus betekenisloos). Het idee dat de gemiddelde temperatuur van de aarde toeneemt door menselijk handelen is op zijn minst twijfelachtig en mogelijk zelfs geheel onjuist.

Voor de video van de boekpresentatie, zie hier.

For privacy reasons YouTube needs your permission to be loaded. For more details, please see our Privacybeleid.
I Accept

Door |2017-10-27T16:56:46+00:0026 oktober 2017|67 Reacties

67 Comments

  1. Arthur Rörsch 27 oktober 2017 om 17:30 - Antwoorden

    Dick Thoenes 27-10-2017 temperatuurmetingen.
    Het UHI effect.
    Daarvoor hoeven we niet ver van huis te gaan. De temperatuur tussen binnenstad Leiden (niet zo’n grote met 100.000 inwoners) verschilt een paar graden met die op het meest nabijgelegen weerstation, (voormalig vliegveld Valkenburg) . Voorts blijkt de Randstad zich als één groot UHI te gedragen tov van het nabijgelegen binnenland. (De Laat en Maurellis, 2016).
    Je haalt aan (Chicago en Las Vegas) dat een stijging van de oppervlaktemperatuur in het UHI vooral door die van de minimumtemperatuur wordt veroorzaakt. Geven de auteurs daarvoor een fysische dan wel meteorologische verklaring? Met Frans vd Beemt en Roy Clark hebben we die gevonden (op het platteland, niet in de stad) in de verandering van de horizontale en verticale luchtstroom die bij zonsondergang daarna van turbulent in een rustige overgaat. Daarmede gepaard gaat veranderende waterverdamping overdag maar condensatie gedurende de nacht, met het gevolg dat in de zomer in Nebraska, van 18.00 uur tot de volgende ochtend om 6.00 uur de nachttemperatuur constant op 19C blijft. Zonder watercirculatie zou in die periode de temperatuur moeten blijven dalen onder invloed van de IR uitstraling van het oppervlak in afwezigheid van zoninstraling. Omdat echter het dauwpunt van water wordt bereikt en aan het oppervlak door condensatie warmte wordt vrijgemaakt die de uitstraling compenseert. Het broeikasGASeffect wordt hiermee overwegend aan de waterhuishouding toegeschreven, niet aan het ´gifgas’ (sic) CO2.

    Voorts, veel dank voor je voorlezingen uit het Australische boek ‘Climate Change’. Bespaart ons veel moeite om het dikke boek zelf door te lezen. En voor je eigen kanttekeningen daarbij.
    De bemerkingen daarbij van JvdH lijken mij van weinig betekenis. Zoals:
    • Als er wat aan gedaan wordt gaan de “sceptici” klagen dat de uitkomst hun niet bevalt.
    • Mijn eigen conclusie is dat het niet mogelijk is om Dick Thoenes op klimaat gebied serieus te nemen.
    • Eer verder niet onderbouwde en dus verder waardeloze conclusie

    Met de bijdragen van Dick Thoenes gaat de kwaliteit van de discussie op climategate met sprongen vooruit, die ook voor niet wetenschappelijk onderlegde verduidelijkend zullen zijn, waarom het nu uiteindelijk gaat:
    (1) twijfel aan de interpretatie die de ‘mainstream’ aan verzamelde data geeft.
    (2) De zoektocht naar alternatieve verklaringen waarom na de laatste kleine ijstijd de mondiaal gemiddelde temperatuur is toegenomen als we durven afzien van de vooringenomen stelling dat CO2 aan de knop van de klimaatvariabiliteit draait.
    [Terzijde, Paai’s weerwoorden, gebaseerd op zelfstandig nadenken, niet alleen maar wat roepen uit de beschikbare literatuur zie ik wel graag als serieus te nemen. Hij dwingt ons (sceptici over AGW) voortdurend om kritische standpunten te heroverwegen. ]
    Ten slotte, ik zie uit naar deel 2 en 3. Waarop ik waarschijnlijk wat meer kritiek zal hebben dan op deel 1.
    Deel 2, de invloed van CO2. We (Dick en ik) zijn het er over eens dat de beschouwingen van Engelbeen en Hans Erren wat te kortzichtig zijn met betrekking tot punt 3: andere mogelijke oorzaken voor klimaatverandering dan aan de CO2 hype worden ontleend. Maar kennis en inzicht van Dick zal ik waarschijnlijk wel durven aantasten.

    Deel 3 Oorzaken van klimaatveranderingen. Ik suggereer bij voorbaat dat Dick daar voorzichtig mee moet zijn. Hij is geen meteoroloog. Ik pretendeer op dit gebied sinds 1950 als actief amateur meer inzicht te hebben. Dick manifesteert zicht echter als van oorsprong procestechnoloog (net als ik, uit de zelfde Delftse school voortkomend) als criticus hoe te verwachten dynamische processen in de atmosfeer zich afspelen in tegenstelling tot wat de mainstream ( AGW hype aanhangers) suggereert.

    Voor de meelezers. Dick Thoenes en ik zijn het in menig opzicht op details ook niet met elkaar eens. Maar met de wijze waarop we met elkaar discussiëren, proberen we gezamenlijk een meer realistische kijk op de oorzaak van klimaatvariabiliteit op te wekken dan politiek wordt verkondigd.

    • Hans 27 oktober 2017 om 20:53 - Antwoorden

      “We (Dick en ik) zijn het er over eens dat de beschouwingen van Engelbeen en Hans Erren wat te kortzichtig zijn met betrekking tot punt 3”

      Dat is geheel wederzijds, Arthur. 😉

  2. Hetzler 27 oktober 2017 om 18:12 - Antwoorden

    @vdHeiden Ik zou eerst maar eens die hoofdstukken in dat boek lezen. Verder zou ik kennis nemen van dit artikel over homogenisatie door het KNMI. Iedereen kan zien dat de waarden van vóó’r 1950 verlaagd zijn en dus niet verhoogd.

    • J van der heijden 28 oktober 2017 om 10:40 - Antwoorden

      En de Bilt is niet de wereld

      Praten we over global warming of over local warming?

  3. Erik 27 oktober 2017 om 20:17 - Antwoorden

    https://www.dropbox.com/s/ze9e9ahf61upjcr/Bestand%2027-10-17%2020%2011%2044.jpeg?dl=0

    Hans heeft gelijk, de satellieten en de Central England temperature laten geen opwarming zien over de recente periode, hoogstens een El Nino effect.

    • Bart Vreeken 28 oktober 2017 om 12:16 - Antwoorden

      Ik ben het er mee eens dat het KNMI er niet erg helder mee omgaat. Met name de metagegevens van de stations (gebruikte instrumenten, verplaatsingen) zijn onvolledig. Ook zou het beter zijn als de dubbele metingen bij het in gebruik nemen van nieuwe meetopstellingen en locaties openbaar zouden zijn, zodat iedereen kan zien wat de verschillen zijn.

      Rob de Vos (klimaatgek) heeft een mooi overzicht gemaakt van de verschillen voor en na de homogenisatie per seizoen. Daarbij is te zien dat vooral de temperatuur in de zomer naar beneden is bijgesteld. Dat lijkt wel logisch. Het probleem met de oorspronkelijke opstelling (de Pagode) was dat deze aan de onderkant open was. Hierdoor ontving de thermometer ’s zomers vanaf de onderkant veel straling; meer dan in de later gebruikelijke stevensonhut. Het was de wet van de remmende voorsprong. Het KNMI had de pagode al in gebruik voordat de stevensonhut standaard werd.

      Het gaat overigens om een in verhouding tot de totale opwarming gering probleem. De totale sinds 1900 is ca. 1,4 graden. De correctie/homogenisatie bedraagt 0,2 graden.

      • ducdorleans 9 november 2017 om 19:51 - Antwoorden

        bij die “homogenisaties” ging het niet over de trend … ik geloof dus ook wel die “0,2 graden” … maakt niet zoveel uit …

        het ging daar om de extremen … de koudegolven (heb ik niet onderzocht) en de hittegolven (wel) … de tabel met hittegolven voor en na “homogenisatie” is niet meer te herkennen … 1911 en 1947 zijn nu “gewone” jaren … terwijl die vroeger natuurlijk zeer unconvenient waren … “hittegolven namen nl. toe” volgens de theorie …

        daarna heeft Frank Deboosere in België nog eens hetzelfde gedaan (of moeten doen) … zie http://klimaatgek.nl/wordpress/2017/07/15/homogenisatie-van-tropische-dagen-in-ukkel/

        het grote probleem is dat er voor die jaren 1911 & 1947 nog een heel grote hoop “proxies” bestaan … krantenartikelen over droogte op de rivieren door de hittegolven .. droogte op de velden door de hittegolven … zeer veel doden door hittegolven …

        en dat allemaal door hittegolven die nu niet meer bestaan …

        lol

  4. Erik 27 oktober 2017 om 23:56 - Antwoorden

    Bart Vreeken

    Van 1996 tot 2016 bijna geen opwarming, dus 20 jaar niet. Er treed circa 1998 een sprong omhoog op in de temperatuur die we zeker niet aan CO2 kunnen toeschrijven, het rustig voortkabbelende CO2. Het lijkt erop dat we met, na, de nino van 2016/17 weer zo’n sprong zullen zien. De groei die jij ziet wordt dus bepaald door 2 temperatuursprongen, die waarschijnlijk niks met CO2 te maken hebben.

    http://www.woodfortrees.org/plot/uah6/from:1996/to:2016/trend/plot/uah6/from:2001/to:2016/trend/plot/uah6/from:1980/to:1998/trend/plot/uah6

    • Bart Vreeken 28 oktober 2017 om 08:26 - Antwoorden

      Erik, je begrijpt toch niet goed hoe het statistisch werkt. Het is een optelsom van een voortgaande trend met ‘toevallige’ uitschieters door vooral ‘El Nino/La Nina’. Je trekt een mooie bijna horizontale lijn vanaf 1998, maar wat is er dan op dat moment voor merkwaardigs gebeurd, dat van het ene op het andere moment de wereldtemperatuur een stuk hoger is? En in 2015/2016 idem.

  5. Hugo 28 oktober 2017 om 10:40 - Antwoorden

    Waar hebben we het eigenlijk over in wat klimaatwetenschap genoemd wordt.
    Een geringe temperatuurstijging opwarming van de aarde de pauze en meer van deze zaken.

    Kijken we naar de praktijk dan zou de temperatuur niet stijgen als de energie van de inkomende straling en de uitgaande straling van de aarde gelijk is.
    Dat is iets heel anders als de lucht temperatuur. Het weer en daarmee het klimaat is een chaotisch systeem, er wordt warmte op verschillende plaatsen opgeslagen zoals de oceanen en ook weer vrij gegeven. Het ontbreken van warmte geeft andere processen zoals bevriezing van water, het smelten van ijs. Ook is de hoeveelheid waterdamp in de luchtvan belang denk aan de adiabatische afkoeling, De dagelijkse gang die in een woestijn is heel anders is als bij ons. Dan komen er vragen op als hoeveel warmte blijft er achter in de oceanen, hoeveel wordt er weer vrij gegeven bij oceaan oscillaties en naar de tropopauze gepompt. Wat is het effect van de convectie boven de evenaar om er maar een paar te noemen en dan hebben we het nog niet over de meetfouten niet alleen wat de meetstations betreft maar ook in de bewegende oceanen waar warmte naar diepere lagen zakt en zoals bij een oceaan oscillatie weer naar boven komt.
    De stralingsbalans van de aarde die tussen de keerkringen positief is daar komt meer warmte binnen als er wordt uitgestraald en rond de polen negatief. De oceaanstroming zorgt voor een verspreiding van warmte o.a. richting de polen.
    De luchtbeweging doet dat ook maar in veel mindere mate. De Hadley cellen brengen warme lucht omhoog en koude lucht naar beneden. maar dat zie je ook bij de stroming richting lage druk gebieden die alleen nog maar omhoog kan gaan.
    En de klimaatwetenschap die rommelt in de marge past waarnemingen aan sleutelt computermodellen in elkaar waarin enkele van de vele variabelen zijn meegenomen en voorspellen daarmee een trend die tot 60 jaar verder zou kunnen voorspellen of er sprake is van opwarming af afkoeling.

    Zelfs metingen worden met modellen bewerkt om de modelbouw in de lucht te houden.
    Een goed voorbeeld is het volgende: Hier een stukje uit een persbericht van het KNMI. de tekst tussen haakjes is van mij)
    https://www.knmi.nl/over-het-knmi/nieuws/verdwenen-warmte-in-oceaan-gevonden

    “De bovenlaag van de oceaan is tegen de verwachtingen in sinds 2003 niet meer warmer geworden ondanks de toename van broeikasgassen in de lucht. Een KNMI-studie toont aan dat de bovenste oceaanlaag koel is gebleven door natuurlijke variaties in het klimaat.” (Dat zijn metingen die aangeven dat er sprake is van het stoppen van de opwarming van de atmosfeer. Daaruit blijkt dat er iets niet klopt met de voorspellingen op basis van hun modellen.)

    “Een deel van de warmtestraling is hierdoor teruggekaatst naar de ruimte en een deel van de warmte is in de diepere lagen van de oceaan opgeslagen.” (dit zijn geen metingen maar komt uit resultaten van modelberekeningen.)
    “Voor hun onderzoek ‘Op zoek naar de ‘verdwenen warmte’ in de bovenlaag van de oceaan’ hebben KNMI-klimaatwetenschappers Caroline Katsman en Geert Jan van Oldenborgh gebruik gemaakt van berekeningen met een state-of-the-art klimaatmodel in het ESSENCE-project. De beschikbare tijdreeksen van de temperatuurmetingen van de oceanen zijn namelijk te kort en de gegevens te onzeker.”

    “De oceaantemperatuur is 0,02 graden Celsius minder gestegen dan verwacht. Een fractie van een graad maar omgerekend is dit een grote hoeveelheid warmte. Als hiermee de lucht zou zijn opgewarmd, dan zou het de afgelopen acht jaar 5 graden warmer zijn geworden. Dat is niet gebeurd. Ook een warmere bodem of meer afsmelten van land- en zeeijs dan verwacht, is uitgebleven. Hoe komt het dat de bovenlaag van de oceaan acht jaar lang niet warmer is geworden, ondanks de toename van broeikasgassen?” (Er is dan ook op geen enkele manier sprak van meetbare opwarming dat past in het beeld van de pauze maar die wordt nu na de harmonisatie activiteiten ontkent)

    Samenvattend: De klimaatwetenschap komt met duidelijke meewaarden die niet in de pas lopen met hun beeldvorming zoals de theorie en uitkomsten van de modelberekeningen en vervolgens komen ze met nieuwe modelberekeningen om de waarnemingen weer in hun plaatje in te passen waarna ze melden dat ze de “verdwenen warmte hebben gevonden” maar niet in de praktijk er is onvoldoende data op basis van metingen.
    In het persbericht wordt echter geen enkel onderscheid gemaakt tussen data uit meetresultaten en de uitkomsten van de model berekeningen.

    Een ding is wel duidelijk en dat is de enorme hoeveelheid warmte die de oceanen kunnen opnemen.
    De oceaantemperatuur is 0,02 graden Celsius minder gestegen dan verwacht. Een fractie van een graad maar omgerekend is dit een grote hoeveelheid warmte. Als hiermee de lucht zou zijn opgewarmd, dan zou het de afgelopen acht jaar 5 graden.

    Het grootste deel van de aarde bestaat uit oceanen meren, rivieren zeeén etc. Dat betekent ook dat het grootste deel van de energie van de instralende zon ook in het water van de oceanen terecht komt. Ook wordt deze warmte op veel manieren naar boven getransporteerd zoals de convectie boven de evenaar. Meer zon instraling betekent ook meer waterdamp in de lucht. De lucht wordt dan ook voornamelijk opgewarmd door de zon via de oceanen. Meer waterdamp geeft meer bewolking.

    Ook vocht in de grond maakt dat warmte wordt vastgehouden en wolken die transporteren warmte naar boven en zorgen voor terugkaatsing van zonlicht naar de ruimte en belemmeren ook weer de uitstraling van IR straling in de nacht. Aan de andere kant is waterdamp ook een broeikasgas en verantwoordelijk voor het grootste deel van de opwarming. ( niet CO2 )

    Alleen kijken naar de luchttemperatuur is zinloos er zijn gewoon te veel variabelen net zo goed als het “meten” van de oceaantemperaturen omdat oceanen veel te dynamisch zijn en je daarin veel te veel verschillende stromingen kunt tegenkomen denk ook aan de effecten van oscillaties etc.

    Er is geen zinnig mens die met droge ogen kan beweren dat ze met modellen dit hele ingewikkelde samenspel in een bruikbaar model kunnen vangen. Dat lijkt meer op het gokken met cijfers als op wetenschap.

    • Scheffer 28 oktober 2017 om 12:47 - Antwoorden

      Gesubsidieerde “duurzame” ondernemers, biddende confessionele goedgelovigen, emancipatie praatgroepen, emotionele sociaal-psychologen en de machtsbeluste (groen-)Linkse internationale socialistische ideologen interesseren zich totaal niet voor de terechte kritiek op de decennia lange gepolitiseerde maaksels door het IPCC en terechte kritiek op de inmiddels zieltogende (C-)AGW-theorie, omdat de aarde maar niet wil opwarmen.. De Nederlandse politieke klimaat-kongsie is in ijzer geklonken over de voorbije jaren. Dat biedt weinig hoop op een toekomstige rem op zinloze klimaatbeheersing met bakken belastingeld.

    • Bart Vreeken 28 oktober 2017 om 22:16 - Antwoorden

      Op de site van de NOAA zijn steeds actuele grafieken te vinden van het verloop van de Ocean Heat Content. Daarop is te zien dat de opwarming van de bovenste 700 m van de oceanen tussen 2003 en 2011 inderdaad even stagneerde, zoals het KNMI destijds netjes meldde. Vóór 2003 was net een flinke stijging geweest en ook na 2011 ging de stijging weer verder. Zie:

      http://www.logboekweer.nl/Actueel/OceanHeatContent.png

  6. Frans Galjee 28 oktober 2017 om 11:03 - Antwoorden

    @Hugo petje af voor deze reactie. De spijker kan niet harder op de kop geslagen worden hulde!

  7. Arthur Rörsch 28 oktober 2017 om 12:14 - Antwoorden

    Hugo 28-10-2017 10.40
    Sluit me aan bij de waardering van Frans Galjee.
    Het is goed ons nog eens duidelijk te realiseren hoe het mondiale circulatieproces zich afspeelt sinds de Hadley Cell werd beschreven.
    Bij Eén ding in het overzicht wil ik een kanttekening plaatsen. Je zegt: “De Hadley cellen brengen warme lucht omhoog en koude lucht naar beneden”
    Bij koude lucht omlaag treedt het omgekeerde effect op als bij stijgende warme lucht die afkoelt door adiabatische expansie, namelijk adiabatische compressie.
    Bij de werking van de verticale circulatie van de Hadley cell dient men over te gaan van denken in termen van ‘warmte’ in die van energie (en latente warmte).
    De overmaat ontvangen energie van de zon nabij de equator wordt gedeeltelijk naar hogere breedtegraad over gebracht. Bij deze circulatie wordt een deel verloren bij de horizontale stroming aan de top van de cel door IR uitstraling opwaarts. Ontvangen zonenergie aan de equator komt daardoor wel degelijk (gedeeltelijk) ten goede aan de warmte die op hogere breedtegraad aan het oppervlak wordt vastgehouden

  8. Hugo 28 oktober 2017 om 13:04 - Antwoorden

    Arthur bedankt voor deze aanvulling.
    Helmaal eens.
    Hier een kort overzicht over de Hadley cell
    https://www.seas.harvard.edu/climate/eli/research/equable/hadley.html

  9. Erik 28 oktober 2017 om 13:19 - Antwoorden

    http://woodfortrees.org/plot/hadcrut4gl/from:1979/to:1998/trend/plot/hadcrut3gl/from:1979/to:1998/trend/plot/hadcrut3gl/from:1998/to:2014.42/trend/plot/hadcrut4gl/from:1998/to:2014.42/trend/plot/hadcrut4gl/from:1979/plot/hadcrut3gl/from:1979

    zie hier de verwoestende werking van zgn homogeniseren. Na 1998 moest de hiatus natuurlijk gesloopt worden. Dit lukte door van hadcrut3 naar hadcrut4 te gaan. Zeer geloofwaardig allemaal. Ze denken zeker dat wij gek zijn.

  10. Pascal 28 oktober 2017 om 20:30 - Antwoorden

    Een gaaf artikel voor iemand die niet alle details snapt wat er staat maar wel de lijn begrijpt van het verhaal.
    Dat je temperatuur niet nauwkeurig kan meten zonder dat alle metingen op dezelfde manier worden gedaan lijkt mij een hele mooie basis regel van de meetkunde. Zover ben ik dus heel positief over het artikel.

    Wat ik mijzelf nog wel afvraag…..hoe kan het dan dat de zeespiegel stijgt en een heleboel ijs en sneeuw als de sneeuw voor de zon verdwijnt?
    In de natuurkunde hebben we bepaald dat ijs boven nul water wordt. En dit gebeurd gemiddeld gezien overal op de wereld. Oost, West, Noord en Zuid en zelfs aan de grond en heel hoog in de bergen en zelfs in permafrost gebieden (die nu dus ‘af en toe’ frost gebieden zijn).

    De metingen juist of onjuist…….de feitelijke en waarneembare (meetbare) verandering van ijs naar water is iets waar je geen meting voor nodig hebt om te bepalen dat de aarde gemiddeld gezien (over de hele wereldbol) wel degelijk warmer wordt.

    Graag hoor ik waar dit artikel mijn conclusie kan weerleggen. Want met die laatste regel van uw artikel heb ik dus wel moeite op basis van de beweringen over metingen.

    • Boels 9 november 2017 om 22:11 - Antwoorden

      @Pascal:
      De vraag is of al het smeltwater wel in de oceanen terecht komt. Ik kan mij voorstellen dat het deels opgenomen wordt in de grond of terecht komt in meren die geen verbindingen hebben met de oceanen.

  11. Marleen 15 januari 2018 om 06:50 - Antwoorden

    Een heel vreemd artikel. Citaat:

    “Bij een onderzoek in Amerika is gebleken dat slechts een fractie (ongeveer 10%) van de metingen volgens de regels wordt uitgevoerd. Toen men de resultaten van de ‘goede’ meetstations apart onderzocht, bleek dat deze geen temperatuurstijging toonden in de laatste helft van de twintigste eeuw, en de ‘slechte’ wel. Dat komt omdat afwijkingen van de normen meestal leiden tot te hoge gemeten temperaturen”

    Dit zou betekenen dat er geen temperatuurstijgingen geweest zouden zijn gedurende de laatste helft van de twintigste eeuw. De ‘goede’ metingen geven immers geen stijging aan. Dit lijkt me een conclusie die moeilijk houdbaar is en tegen de ‘gehomogeniseerde’ gegevens van die periode ingaan. Als het klopt wat hier staat is er dus geen temperatuurstijging geweest en is het genoeg iedereen te overtuigen van deze foutieve werkwijze om de ‘mythe’ van de globale opwarming omver te werpen.

    “Waar bijvoorbeeld uit de metingen zelf volgde dat de temperatuur over langere tijd constant bleef (of daalde) blijkt er na “homogeniseren” een stijging te zijn geweest. De zo aangetoonde opwarming is dus het gevolg van manipulatie van gegevens. Dit gebeurt in de meeste landen. In Australië is dit uitgebreid onderzocht door Jennifer Marohasy c.s. De resultaten van haar onderzoek zijn ronduit schokkend.”

    Homogenisering is een gebruikelijke methode om gegevens die met verschillende apparatuur of onder verschillende omstandigheden geregistreerd zijn met elkaar in overeenstemming te brengen. Dit behoort niet tot manipulatie, maar tot een juistere interpretatie van de gegevens. Er is nu eenmaal vooruitgang in de wetenschap waardoor meetapparatuur steeds verbeterd wordt. Homogenisering is bedoeld om een duidelijker beeld te krijgen van de gemeten gegevens. In bovenstaande tekst wordt de suggestie gewekt dat het om een groep criminelen gaat die gegevens manipuleren en daar zou volgens u waarschijnlijk zelfs beter staan ‘vervalsen’.

    Kortom het is een vreemd artikel dit, want de auteur beschrijft en onderschrijft het effect UHI, maar is blijkbaar niet bereid de gegevens die er zijn aan te passen en beticht zelfs de wetenschappers van manipulatie en schokkende resultaten van onderzoeken daarover. Dat klopt dus niet. Het niet aanpassen ven de temperatuurgegevens zou daarentegen een regelrechte ‘manipulatie’ vormen.

Geef een reactie

Conform ons Privacybeleid maken wij gebruik van Cookies om onze website beter te laten werken. OK