Een bijdrage van Dick Thoenes en Guus Berkhout.

De discussie over de rol van CO2 op onze planeet moet niet alleen gaan over opwarming maar ook over een groenere aarde.

Dit verhaal gaat over kooldioxide (chemische formule CO2) dat ook wel koolzuurgas wordt genoemd. Wij kennen het uit het dagelijks leven als het gas dat opborrelt uit bier of frisdrank wanneer we het flesje openmaken. Het komt in de atmosfeer voor in concentraties van ongeveer 0,04% oftewel 400 ppm (parts per million).

CO2 heeft in de afgelopen decennia een slechte naam gekregen door de mainstream klimaatmodellen. In die rekenmodellen wordt verondersteld dat meer CO2 de oorzaak is voor opwarming van de aarde. Maar het gaat niet alleen om CO2; ook de grote natuurkrachten doen mee. De hamvraag is nu: wordt opwarming veroorzaakt door CO2, door natuurkrachten of door beide? Die vraag is nog volop in discussie.

Anderzijds is wél duidelijk dat CO2 in combinatie met water (chemische formule H2O) onmisbaar is voor het leven op aarde. Die ‘groene’ rol van CO2 is buitengewoon belangrijk, maar komt in de discussie nauwelijks aan de orde. Daar gaat dit verhaal over. In verband hiermee stellen we de uitdagende vraag of het wel zo verstandig is om CO2 uit de atmosfeer te houden als we streven naar een groenere planeet? Met de niet te stuiten bevolkingsgroei is juist die vergroening hard nodig.

In het volgende schenken we dus alle aandacht aan de brede rol van CO2. Het verhaal is een nadere toelichting op onze CO2 paragraaf in het Elsevier hoofdartikel over klimaat d.d. 13 oktober jl.

De belangrijkste chemische reactie in de wereld

Dick Thoenes.

Iedereen die het aardse systeem in de volle breedte bestudeert, raakt vroeger of later diep onder de indruk van de ingenieuze complexiteit waarin het leven zoals wij dit nu kennen zich in al haar diversiteit heeft kunnen ontwikkelen. Aanpassing aan de natuurlijke omgeving loopt als een rode draad door de geschiedenis van alle leven op aarde.

Wij weten dat het dierlijke leven op onze planeet is ontstaan in de zeeën en dat het een paar miljard jaar heeft geduurd voordat het zich ook naar het land verplaatste. Daar was toen al een zeer uitgebreide vegetatie in de vorm van reusachtige bossen. Die vegetatie produceerde geleidelijk aan steeds meer zuurstof, waardoor de dieren er nu ook konden leven. Het is interessant om de geschiedenis te bestuderen hoe de levens van planten en dieren elkaar hebben beïnvloed en bevorderd. Het geologische archief is daarbij onmisbaar.

Fotosynthese

Om die unieke symbiose te begrijpen hebben we de chemie nodig. Het gaat hier om de allerbelangrijkste chemische reactie op onze planeet, de “fotosynthese”, die in een vereenvoudigde formulevorm als volgt wordt opgeschreven:

n CO2 + n H2O + energie → (CH2O)n + n O2

In gewoon Nederlands staat hier dat kooldioxide (CO2) en water (H2O) zich verbinden tot een koolhydraat (CH2O)n waarbij zuurstof (O2) vrijkomt. Dit kan alleen gebeuren onder invloed van zonlicht en van in de plant aanwezige katalysatoren. Merk op dat voor glucose (druivensuiker) n=6. Het is de mens nog niet gelukt om deze indrukwekkende chemische omzetting in het laboratorium eenvoudig na te bootsen.

Guus Berkhout.

Wat betekent deze reactie nu? Die betekent dat in groene planten kooldioxide en water worden opgenomen en omgezet in koolhydraten, die de bouwstenen vormen voor de plantengroei. De kooldioxide wordt uit de lucht gehaald, het water voornamelijk uit de grond. We weten dat planten dood gaan als ze niet genoeg water krijgen. Ze zouden ook dood gaan als ze niet voldoende kooldioxide zouden krijgen. Je kunt de proef nemen door planten onder een glazen stolp te laten groeien. Als ze wel water krijgen, maar geen verse lucht, gaan ze dood door CO2-gebrek.

Verbranding

Het interessante is nu dat door de fotosynthese niet alleen planten zich ontwikkelen, maar dat bij deze reactie zuurstof als “bijproduct” vrijkomt. Zuurstof is een bijzonder stofje, het komt in het heelal bijna niet voor en kost veel energie om het te maken. Voor mens en dier is het een noodzakelijke component om te kunnen leven. Mensen en dieren eten direct of indirect planten, koolhydraten dus, en “verbranden” die met behulp van zuurstof die ze uit de lucht opnemen. Die “verbranding” is eigenlijk een oxidatie bij lichaamstemperatuur. De reactie die in het lichaam verloopt is het omgekeerde van de fotosynthese. Hierbij worden koolhydraten samen met zuurstof (O2) omgezet in kooldioxide (CO2) en water (H2O) die weer worden uitgeademd. Daarbij komt energie vrij die het mogelijk maakt dat mens en dier zich bewegen:

(CH2O)n + n O2 n CO2 + n H2O + energie

De benodigde zuurstof wordt ingeademd en gebonden aan hemoglobine en zo door het bloed over het lichaam verdeeld naar de plaats waar de koolhydraten worden “verbrand”. Zo houden planten, dieren en mensen elkaar in leven. En de zon levert de benodigde energie.

In planten, dieren en mensen kunnen allerlei andere voedingsstoffen gemaakt worden uit koolhydraten. De belangrijkste zijn vetten en eiwitten. Plantaardige eiwitten in de voeding worden in mens en dier eerst afgebroken tot aminozuren die daarna worden aaneengeregen tot dierlijke eiwitten. Vooral voor kinderen zijn dierlijke eiwitten (van vlees, melk of vis) nodig omdat juist die eiwitten essentieel zijn in het groeiproces.

Bio-cyclus

Het is van belang ons te realiseren dat alle zuurstof die wij inademen door planten is gemaakt uit kooldioxide (CO2) en water (H2O). We zagen dat dit gebeurt met behulp van zonne-energie. En die energie komt weer vrij bij het omgekeerde proces (verbranding). Wat een prachtige cyclus! Nog belangrijker is het om in te zien dat elk koolstofatoom in ons lichaam, chemisch gebonden in de vorm van koolhydraten of eiwitten of vetten, ooit in de lucht heeft gezeten in de vorm van kooldioxide (CO2). Kooldioxide (van zowel natuurlijke als antropogene oorsprong) is de elementaire bouwsteen van alle levende organismen! Alle leven is dus gebaseerd op fotosynthese, de belangrijkste chemische reactie in onze wereld. En voor meer leven is meer kooldioxide nodig.

Een buitengewoon belangrijk feit is voorts dat de gehaltes aan zuurstof en kooldioxide in de atmosfeer getalwaarden hebben waarbij planten, dieren en mensen goed kunnen gedijen. Bij een veel lagere zuurstofgehalte zou dierlijk leven niet mogelijk zijn. Bij een veel hoger gehalte zouden bossen door natuurlijke oorzaken spontaan afbranden (met name door blikseminslag). Bij een veel te laag kooldioxidegehalte (minder dan 100 ppm) zou geen plantaardig leven mogelijk zijn en zouden mens en dier dus uitsterven. Bij een hoger gehalte aan CO2 zouden de planten beter groeien. Bij een veel te hoge kooldioxide gehalte (meer dan 5.000 ppm) krijgen mens en dier last van benauwdheid. Dat kunnen wij regelmatig ervaren in slecht geventileerde vergaderruimtes.

De temperatuur op aarde

Levende organismen hebben niet alleen voeding nodig (die dus is opgebouwd uit de moleculaire bouwstenen CO2 en H2O), maar hebben ook behoefte aan een omgeving van een bepaalde temperatuur. Als het te warm of te koud zou worden kunnen organismen zonder aanpassing niet overleven. Hoe is het mogelijk dat de aardatmosfeer zo’n gunstige temperatuur heeft voor het leven? Gemiddeld is die nu ongeveer 15°C, met maximale verschillen tussen ijstijden (‘glacialen’) en warmste perioden (‘interglacialen’) van minder dan 10°C. Natuurlijk komt vrijwel alle warmte van de zon. Maar hoe gaat dat in zijn werk? Verwarmt de zon de lucht? Nee, zo eenvoudig is het niet. Zonnestraling verwarmt eerst het aardoppervlak en die verwarmt op haar beurt weer de lucht. Dit gebeurt door een combinatie van infrarode straling, de watercyclus en de grote convectiestromen. Tezamen ontstaat zo een dynamisch zelfregulerend klimaatsysteem.

Illustratie 1: Klimaatregio’s met grote klimaatverschillen kennen nauwelijks verschillen in CO2 concentratie (ca. 400 ppm). Naast CO2 zijn er dus ook andere mechanismen in het spel. Al die mechanismen tezamen bepalen de dynamiek in het aardse klimaat. Uiteraard speelt de zon hierin als oerbron de hoofdrol.

De temperatuur die het aardoppervlak aanneemt hangt af van de warmtecapaciteit en die hangt weer af van de bodemsamenstelling. Hoe lager de warmtecapaciteit, des te sneller de opwarming. Droge stenen en droog zand hebben een lage warmtecapaciteit en worden dus snel warm, soms wel tot 50°C, maar grasvelden en bosgrond hebben een hogere warmtecapaciteit en worden daarom veel minder snel warm. Water heeft een nóg veel hogere warmtecapaciteit en wordt dus nog minder snel warm. Dat laatste is een heel belangrijk gegeven omdat meer dan 70% van het aardoppervlak bestaat uit water.

Wolkendek

Maar de overvloedige aanwezigheid van water op onze planeet heeft nog een ander belangrijk effect. Bij verwarming treedt verdamping op, het verdampende water stijgt vervolgens op, koelt in hogere luchtlagen weer af en condenseert daar onder vorming van wolken. Het wolkendek houdt niet alleen zonneschijn tegen, maar zorgt ook voor een zekere opwarming van de lucht daaronder. Om dat te verklaren moeten we eerst nog even teruggaan naar de opwarming van het aardoppervlak door de zon. Het is immers niet zo dat het aardoppervlak almaar warmer wordt. Nee, hoe warmer het oppervlak wordt, des te meer warmte straalt het uit. Er stelt zich uiteindelijk een evenwichtstemperatuur in, zodanig dat de uitgestraalde warmte gelijk is aan de van de zon ontvangen straling. Die is echter wel van een andere aard. Zonnestraling heeft een kortere golflengte waardoor wij het licht als fel ervaren.

Het aardoppervlak straalt infrarode straling (warmtestraling) uit. Maar die warmtestraling gaat niet ongehinderd door de atmosfeer terug naar het heelal. Ongeveer de helft wordt tegengehouden door het wolkendek (bewolkingsgraad is gemiddeld ca. 50%) en daarbij in ‘voelbare’ warmte omgezet. Daardoor ervaren wij een bewolkte avond meestal als zachter dan een heldere avond. Bij een onbewolkte avond verdwijnt alle straling in het heelal en daardoor kan het flink afkoelen. Tussen het aardoppervlak en het wolkendek wordt de lucht dus door een complex proces opgewarmd. En hierin spelen ‘broeikasgassen’ zoals H2O en, in mindere mate, ook CO2 een rol.

Als bijvoorbeeld de CO2 concentratie toeneemt, wordt meer infrarode straling geabsorbeerd en zal de atmosfeer opwarmen. Let wel, over die absorptie-eigenschap gaat niet de discussie. Waar het wél over gaat is hoeveel die opwarming door die absorptie nu eigenlijk is en wat het netto resultaat zal zijn als we compenserende effecten vanuit de natuur meenemen (‘systeem denken’). Het grote probleem hierbij is dat betrouwbare experimentele data, essentieel in elk wetenschappelijk debat, nog steeds niet voorhanden is.

Merk op dat de atmosfeer tussen wolkendek en aardoppervlak zich een beetje gedraagt als een broeikas in de tuinbouw, alwaar het onder invloed van zonnestraling warmer wordt dan daarbuiten. Het wolkendek kan door de tuinder worden nagebootst door de ramen wit te kalken. Maar de vergelijking gaat natuurlijk niet helemaal op, omdat in een echte broeikas de lucht wordt afgesloten en het steeds warmer kan worden. Echter, de atmosfeer naar boven is open zodat warme lucht kan ontsnappen, waardoor het warmte-effect beperkt wordt. In een broeikas wordt dat door de tuinder nagebootst door dakramen open te zetten.

Broeikasgassen

Vervolgens nog iets over broeikasgassen. De belangrijkste is waterdamp. Wij weten allemaal dat het op een avond met vochtige lucht (een “zwoele” avond) warmer blijft dan op een avond met droge lucht. In woestijnen is de lucht erg droog en kan het ’s nachts enorm afkoelen. Het blijkt dat watermoleculen ook in dampfase infrarode straling (die van het aardoppervlak komt) kunnen absorberen en in voelbare warmte omzetten. We noemen deze samenhangende temperatuurwerking van wolken en waterdamp het “broeikaseffect”. Is waterdamp het enige “broeikasgas”? Nee, allerlei andere stoffen vertonen een dergelijk absorptie effect. De belangrijkste is kooldioxide (CO2), dan volgen methaan (CH4) en stikstofoxiden (zoals NO2). Algemeen wordt aangenomen dat het broeikaseffect van H2O (veel) groter is dan dat van CO2, niet alleen doordat er veel meer waterdamp in de atmosfeer aanwezig is dan CO2, maar ook doordat de absorptie eigenschappen van het H2O molecuul groter is. Naast verder theoretisch onderzoek zijn experimentele faciliteiten hard nodig om een beter inzicht te krijgen in de complexe opwarm-eigenschappen van CO2 en, vooral ook, de combinatie van CO2 en H2O. Waarom is de prioriteit voor het investeren in experimentele faciliteiten zo laag? Waarom blijft het IPCC werken met ongevalideerde opwarmhypothesen?

Zelfregulatie

Tot slot, alles bij elkaar is de temperatuur op onze planeet het resultaat is van vele elkaar beïnvloedende processen die de aarde een geschikte plaats maakt voor planten, dieren en mensen. De veranderingen (opwarming, afkoeling) die voortdurend optreden zijn een gevolg van veranderingen in wat er vanuit het heelal op ons afkomt (zonne-energie, kosmische straling) en de interactie met onze atmosfeer (met het wolkendek als belangrijk mechanisme) en het aardoppervlak (met de mens als belangrijke actor), waarbij zowel positieve als negatieve feedback optreedt. Het resultaat is een natuurlijk zelfregulerend systeem. De faseveranderingen in de watercyclus (verdampen en condenseren, bevriezen en ontdooien) spelen daarin een dominante rol. Arthur Rörsch laat in een recente ‘working paper’ zien dat de dag-nacht cyclus (‘diurnal cycle’) ook een essentiële bijdrage levert aan die zelfregulatie (zie hier www.arthurrorsch.com).

CO2-huishouding in getallen

Omdat CO2 een onmisbare rol speelt bij al het leven op aarde, zullen we ook naar de grootteorden kijken van de CO2 stromen. Er bestaan verschillende natuurlijke processen waarbij CO2 aan de atmosfeer wordt afgegeven:

  • Verrotting van plantenresten;
  • Uitademing door planten, dieren en mensen (bacteriën leveren daarbij een grote bijdrage);
  • Ontgassing van oceaanwater tijdens opwarming door straling en convectiestromen;
  • Vulkanisme;
  • Het verstoken van fossiele brandstoffen door de mens.

Er bestaan ook verschillende natuurlijke processen waarbij CO2 uit de atmosfeer wordt opgenomen:

  • Inademing door planten, waarbij ongeveer de helft wordt omgezet in koolhydraten door fotosynthese;
  • Het oplossen in oceaanwater tijdens afkoeling door verdamping en convectie stromen;
  • Verwering van bepaalde silicaten (in gesteenten), waarbij siliciumoxide ontstaat.

Een klein deel van de opgenomen CO2 blijft in de grond achter als veen. Nederland kent uitgestrekte veengronden die in het verleden zijn gevormd. In de oceanen zijn er ook processen waarbij CO2 in de bodem achter blijft, zoals de omzetting in calciumcarbonaat in de vorm van kalkskeletten en schelpen. Die bezinken uiteindelijk en leiden tot kalkafzettingen. Denk hierbij aan de bekende ‘White Cliffs of Dover’.

We kunnen bij deze afgifte en opname processen twee grote circulatiestromen herkennen:

  • De circulatie via de biosfeer, enerzijds bestaande uit opname van CO2 door planten en anderzijds bestaande uit afgifte van CO2 door uitademing van planten en dieren en door verrotting van afgestorven planten;
  • De circulatie via de oceanosfeer, enerzijds bestaande uit opname van CO2 in oceaanstromen in koude zones en anderzijds bestaande uit afgifte van CO2 in warme zones.

Illustratie 2: De toename van CO2 in de atmosfeer kent vele oorzaken. We laten in dit artikel zien dat de menselijke CO2 hierin een bescheiden rol speelt. De zaagtand wordt bijvoorbeeld veroorzaakt door de seizoenen. We geven ook aan dat meer CO2 betekent een groenere aarde.

We gaan nu de grootteorden van die CO2 stromen zichtbaar maken. De hoeveelheden CO2 worden hierbij uitgedrukt in Gt (gigaton) per jaar, waarbij 1 gigaton een miljard ton is. Let op dat in de literatuur die stromen vaak worden uitgedrukt in Gt C (koolstof). Die getallen zijn dus een factor 12/44 = 0,27 kleiner1. In het volgende zullen wij ze allemaal uitdrukken in Gt CO2/jaar. Om onze systeemaanpak in de resultaten te benadrukken, willen we een detaildiscussie over getallen voorkomen en nemen we precies dezelfde cijfers die door het IPCC worden gehanteerd:

  1. De circulatie via de biosfeer wordt gegeven door de opname uit de atmosfeer 450 Gt, afgifte naar de atmosfeer 439 Gt.
  2. circulatie via de oceanosfeer wordt gegeven door opname uit de atmosfeer 338 Gt en afgifte naar de atmosfeer 332 Gt.
  3. De afgifte door vulkanisme wordt geschat op 2 Gt CO2 per jaar, maar kan in bepaalde actieve jaren grote uitschieters vertonen.
  4. De afgifte door de mens (verwarming, transport en industrie) leiden tot een geschatte uitstoot van ongeveer 29 Gt CO2 per jaar.

Dus de totale afgifte van CO2 naar de atmosfeer is 439 + 332 + 2 + 29 = 802 Gt CO2 per jaar. En de totale opname uit de atmosfeer is 450 + 338 = 788 Gt CO2 per jaar. Dit betekent dat de netto afgifte van het totale systeem (biosfeer, oceanosfeer, vulkanisme, mens) aan de atmosfeer ca.14 Gt CO2 per jaar bedraagt. Het effect daarvan is goed te zien in de boven staande grafiek. Merk op dat de uitstoot door menselijke activiteiten gelijk is aan 29/802 = 3,5% van het totale CO2 afgifte. Merk ook op dat van de totale jaarlijkse afgifte, zijnde 802 Gt, 788 Gt door de natuur wordt opgenomen. Dat is 98%! Dit wil zeggen dat van alle CO2 die wordt geproduceerd (door de natuur en door de mens) 98% door de natuur weer wordt opgenomen terwijl slechts 2% zich in de atmosfeer ophoopt. Hiervan is dus 0,07% van menselijke oorsprong (3,5% van 2%). De bijdrage van de mens is dus relatief gezien heel klein.

Bovenstaande cijfers kloppen met de metingen die jaarlijks worden gedaan. Immers, de huidige jaarlijkse toename van CO2 in de atmosfeer is 2 ppm (parts per million) en we hebben net uitgerekend dat de jaarlijkse toename CO2 ook gelijk is aan 14 Gt. Dus 1 ppm komt overeen met 7 Gt. We weten ook dat de totale hoeveelheid CO2 in de atmosfeer wordt geschat op ongeveer 400 ppm. Die 400 ppm is dus 400 x 7 = 2800 Gt, hetgeen klopt met de mainstream schattingen. Merk op dat de verhoudingsgetallen 98% en 2% niet altijd hetzelfde zijn geweest en zullen zijn; ze hangen immers af van de toestand van het totale natuurlijke systeem (land en water, fysisch en biologisch). Vroeger lagen die verhoudingen anders (zie illustratie 3). Op hoofdlijnen kunnen we zeggen dat als de aarde minder groen wordt of de oceanen afkoelen (wat de redenen daar ook van zijn), dat dan de 98% zal afnemen (‘systeemverandering’).

Illustratie 3: Het geologische archief laat zien dat we in de huidige geologische periode (‘het Kwartair’) door een diep CO2 minimum gaan. We zien ook dat door alle geologische tijden heen er weinig correlatie te vinden is tussen het CO2 en het temperatuur gedrag.

We zagen dat de gemiddelde CO2-concentratie in de atmosfeer ongeveer 400 ppm (0,04%) bedraagt. Er komen echter wel plaatselijke variaties voor van ongeveer ± 10 ppm (zie de bijgevoegde figuur) ondanks de hevige winden die op grote hoogte voor egalisatie zorgen. De hogere concentraties duiden op plaatselijk grote CO2-emissies. Deze doen zich vooral voor boven gebieden met tropische oerwouden zoals Brazilië, Centraal Afrika en Indonesië (Borneo en Nieuw Guinea) en niet boven dicht bevolkte gebieden in Europa en Noord Amerika, wat men misschien zou verwachten. Hoe dit precies zit moet verder worden uitgezocht, maar het klopt wel met het feit dat de natuurlijke productie van CO2 zeer veel groter is dan de door de mens veroorzaakte productie.

Is minder CO2 wel gewenst?

De hoogst gemeten stijging van de gemiddelde wereldtemperatuur was in de periode 1989-1998, zijnde ongeveer 0.4 0C. Als we zouden aannemen dat alleen CO2 daarvoor verantwoordelijk zou zijn geweest, dan hebben we gezien dat daarvan 3,6% van menselijke oorsprong is. Dus van die temperatuursverhoging zou maximaal 0,035 x 0,4 = 0.014°C door de mens veroorzaakt zijn (voor Nederland is die bijdrage nog veel kleiner). Zelfs die bovengrens is zo weinig dat je dit met de huidige methoden niet kunt meten. Maar in werkelijkheid is die menselijke bijdrage nóg veel kleiner omdat andere belangrijke oorzaken zoals variaties in de zonnestraling en de thermostatische invloed van de watercyclus uiteraard niet mogen worden weggelaten. Dus waar hebben we het over?

We hebben aangegeven dat CO2 een noodzakelijke voedingsstof is voor alle flora op aarde (land en zee). De geschiedenis van de aarde bevestigt dat meer CO2 zorgt voor een groenere aarde en voor het behoud van een zuurstofrijke atmosfeer. En dat dit nog steeds zo geldt, wordt bevestigd door een omvangrijke studie in Nature (2018): ‘In de afgelopen 35 jaar is de aarde 7 procent groener geworden.’ CO2-emissie verdient dus zeker niet (alleen) de kwalificatie ‘vervuiling’. Integendeel, het is onmisbaar voor alles wat leeft op onze planeet. We stellen hier dan ook de uitdagende vraag: Is extra (uiteraard schone) CO2 in de atmosfeer juist niet welkom om meer voedsel te genereren voor de almaar toenemende wereldbevolking? Als illustratie, ter bevordering van de groei van de gewassen wordt in het Westland CO2, afkomstig van petrochemische industrie op de Maasvlakte, toegevoegd aan de lucht in de kassen. Met groot succes. Dat moet ons toch aan het denken zetten?

Conclusies

  1. Het aardse klimaat vraagt om een brede systeemaanpak, waarbij de grote natuurkrachten alsmede de grote fysische en biologische kringlopen in samenhang moeten worden meegenomen. Broeikasgassen, met name H2O en CO2, hebben invloed op de eigenschappen van deze kringlopen.
  2. Kennis over oorzaak en gevolg bij opwarming door de combinatie van H2O en CO2 vraagt om nog heel veel onderzoek. Vooral experimentele faciliteiten zijn hard nodig.
  3. De geschiedenis van de aarde laat zien dat de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer een geringe invloed lijkt te hebben op het zelfregulerende vermogen van het klimaat.
  4. Anderzijds zien we dat de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer, in combinatie met de beschikbare hoeveelheid water (H2O), van groot belang is voor een groenere aarde en een grotere opbrengst in de landbouw.
  5. Vanwege de voedselvoorziening in de toekomst wordt gepleit om de discussie over CO2 te verbreden door onszelf de vraag te stellen of het nu wel zo gewenst is om CO2 (met heel veel kosten) uit de atmosfeer te houden.

Tot slot

We zien een fundamentele verandering optreden in de discussie over de energietransitie doordat het taboe op toepassing van kernenergie is verdwenen. Er mag weer over gesproken worden. Zelfs IPCC geeft nu officieel toe dat de toekomstige energievoorziening niet zonder kernenergie kan. Nu nog een fundamentele verandering in het denken over CO2. Ook hier heeft het IPCC in haar laatste rapport al laten weten (helaas nog niet op hun voorpagina) dat het klimaat zo ingewikkeld is, dat toekomstvoorspellingen niet goed mogelijk zijn. Laten we nu ook erkennen dat CO2 een onmisbare molecuul is voor het groener maken van de aarde.

Om het nog ingewikkelder te maken, men geeft vaak ook nog getallen in CO2 equivalenten, waarbij andere broeikasgassen met een bepaalde gewichtsfactor worden opgeteld.