Gisteren werden we opnieuw vergast op een portie klimaatagitprop, die de Volkskrant bijna dagelijks over zijn lezers uitstort. Dit keer in de vorm van een artikel van de hand van Tim Bleeker en Appy Sluijs: ‘Als een bus op het ravijn afrijdt, is een ruk aan het stuur nodig.’

Zie hier.

Daaruit valt te lezen dat columnisten – ‘freischwebende Intelligenz‘ – over alles en nog wat al dan niet kritisch mogen schrijven, maar ze moeten van het klimaat afblijven. Quod licet Jovi, non licet bovi (Wat aan Jupiter vrijstaat, staat niet vrij aan de de os). Dat moeten ze aan klimatologen overlaten. Hierbij plaatsen de klimaatwetenschappers zich op de zetel van Jupiter.

Citaat:

Tim Bleeker.

Voor iemand die zich zorgen maakt over ‘het ombuigen van feiten door overheden’, permitteert Martin Sommer zich een opmerkelijke vrijheid als het gaat om het klimaatdebat. In zijn column van 8 december suggereert Sommer dat er geen wetenschappelijke consensus bestaat over klimaatverandering. Dat is onjuist. ….

Er zijn weinig fenomenen ter wereld zo zorgvuldig en veelvuldig bestudeerd als klimaatverandering. Het gaat dus niet om schijnconsensus achter een ijzeren gordijn: het IPCC-rapport wordt wereldwijd door een overweldigende meerderheid van klimaatwetenschappers ondersteund. …

Nou nee, als men wat dieper graaft, blijkt de vermeende consensus in deze nog jonge discipline niet te bestaan. Talloze peilingen onder deskundige wetenschappers hebben dat overduidelijk aangetoond.

Zie hier.

Citaat:

Appy Sluijs. Foto: Van Rijswijk.

De opmerking van Sommer dat de klimaatdoelstellingen ‘niets met wetenschap en alles met politiek te maken hebben’, is deels onjuist en volledig misleidend. Het beperken van de opwarming van de aarde tot anderhalve graad of maximaal twee graden Celsius ten opzichte van het pre-industriële tijdperk, kan het beste begrepen worden als een wetenschappelijk onderbouwd politiek doel.

Maar als men onderzoekt hoe die twee–graden–doelstelling tot stand is gekomen, kan men nóg beter begrijpen dat dat niet het geval is. Dan blijkt dat de natte vinger hierin een grote rol heeft gespeeld.

Zie hier.

Citaat:

Klimaatwetenschappers houden zich bezig met het begrijpen en beschrijven van klimaatverandering. Zij kunnen ons vertellen dat er een kans ‘X’ is dat bij broeikasgasconcentratie ‘Y’ de aarde ‘Z’ graden opwarmt, en dat opwarming ‘Z’ mogelijk leidt tot gevolgen ‘A’, ‘B’ en ‘C’.

Nee, dat kunnen zij niet. Ja, ze kunnen wèl, in conclaaf bijeen, bij handopsteken daarover tot op zekere hoogte onder elkaar overeenstemming bereiken. Maar een dergelijke procedure maakt geen deel uit van de wetenschappelijke methode en dient daarom tot pseudo–wetenschap te worden gerekend.

Bovendien heeft het VN-klimaatpanel (IPCC) zelf erkend:

The climate system is a coupled nonlinear chaotic system, and therefore the long-term prediction of future climate states is not possible.

Maar deze constatering heeft hen er niet van kunnen weerhouden om toch uitspraken over de toekomstige klimaatontwikkeling te doen.

Citaat:

Klimaatwetenschappers hebben echter wel een belangrijke taak in het klimaatdebat, want zij voorzien politici, rechters, economen, demografen en andere beleidsmakers van de cruciale natuurwetenschappelijke informatie die nodig is voor klimaatbeleid. Andersom is het niet de taak of expertise van politici, columnisten of (klimaat)economen (zoals Richard Tol) om feitelijke bevindingen van natuurwetenschappers ter discussie te stellen.

Martin Sommer.

Dat is borstklopperij die men zelden bij andere disciplines aantreft. Sommige klimatologen wanen zich de rechtmatige bewoners van den hoge, waar ook Jupiter huist. Hun goddelijke status gaat gepaard met onfeilbaarheid. Hun opvattingen mogen derhalve niet ter discussie worden gesteld, en al helemaal niet door ons nietige aardlingen. (Maar helaas voor de goden, deze kunnen toch niet nalaten voor zichzelf te denken.) Zij stellen zich daarbij boven andere categorieën van aardse autoriteiten, die zulks – wellicht vervelend – maar toch doodnormaal vinden.

Gelukkig zijn er columnisten als Martin Sommer die zich daar niets van aantrekken.